blogspot visitor

02 maart 2010

Rudy Cornets de Groot en de ruimte van het volledig leven

Frappant dat R.A. Cornets de Groot in zijn intrigerende bespreking van Mulisch' De compositie van de wereld in de bundel Harmonie als tegenspraak (De Bezige Bij, 1986, redactie Piet Meeuse, p. 134-135), die ik dezer dagen doorneem, eenzelfde associatie meldt[*] tussen het "volledig leven" bij Lucebert en de wereld van Harry Mulisch als ik noteerde in mijn blognotitie Lilith, Lucebert en herziene taal van God. Cornets de Groot: 'Want inmiddels had ik al begrepen, dat Mulisch met zijn "ware benadering" op hetzelfde doelde, als Lucebert met zijn "volledig leven". Ik begreep dat Rilke een van hun inspiratiebronnen[**] was'.

[*] Naar aanleiding van dit Mulisch-citaat in Voer voor psychologen: 'Grenzen bestaan niet. Zij zijn een erfgenaam van het christendom (...) dat een kampioen was in het construeren van fictieve 'grenzen', zoals die tussen 'lichaam' en 'geest', 'God' en 'Duivel', en meer van zulke dwarsstraten. Ook 'humor' en 'ernst' bestaan niet. Er bestaat alleen een ware
benadering der realiteit, die beide niet scheidt, en twee onware: de humoristische en de ernstige.'
Waarover Cornets de Groot zegt: 'Ik verbeeldde me, dat ik dit begreep'.

[**] In Voer voor psychologen schrijft Mulisch: '
alles is vol en door krachten bezield en alles zegt op een geweldige manier ja tegen mij en wenkt en ik zeg ja terug, ja, ik kom, ik kom' (cursivering door mij; K). Zie hieronder over Rilke's gedicht Es winkt zu Fühlung.

Cornets de Groot heeft het trouwens (p. 132) ook over
'de leegte' en de 'woestijn' van waaruit Mulisch spreekt: 'Mulisch begeeft zich [net als Vestdijk in De toekomst der religie] óók in leegten - het is woestijn waar hij gebaren maakt - (...)' - het cursief is van Cornets de Groot, die vrijwel zeker citeert uit Martinus Nijhoffs Awater, waarin de protagonist wordt beschreven als een soort Johannes de Doper.

Tamelijk duizelingwekkend hoe puzzelstukjes van mijn 'Art Brut'-denken hier bij elkaar lijken te komen.

Overigens overkwam Cornets de Groot bij diens genoemde overwegingen naar eigen zeggen een 'toeval van puur hysterische aard' (voorafschaduwing van de hartaanval waaraan hij jaren later zou overlijden?): zijn oog werd 'het verdwijnpunt van een draaikolk, waar alles, zich verkleinend tot niets, spiraalsgewijs in oploste'; en onder een schor 'Mijn God' begreep hij, vlak voor hij weer tot zijn positieven kwam, tenslotte 'alles van het oog'.

Over Lucebert en de ruimte van het volledig leven zegt Cornets de Groot het nodige op de lezenswaardige site Cornetsdegroot.com - Google geeft terzake heden vijftien teksten in dit archief: de door Cornets de Groot 'enkelvoudige ruimte' [cursivering door mij; K] genoemde en met 'deelhebben aan het hogere én het lagere' gekenschetste verblijfplaats biedt volgens hem een synthese of zelfs eenwording van normaal onverzoenbare wezens, ideeën, gevoelens en verschijnselen (tot synesthesie aan toe). Denk aan het Principium Adversationis (beginsel van de tegenspraak, PA) van Mulisch.
Citaat: 'Vanzelfsprekend berust dit inzicht op een emotie – wat zeg ik? – het berust op die chaotische, veelomvattende en ongerichte werking van de verbeelding, die ik de open ruimte ben gaan noemen, en die me telkens weer doet vermoeden, dat ver uiteengelegen gebieden door mij kunnen worden verbonden.'

Zie ook de mooie beschouwing 'De mystieke gedichten van Lucebert' van Nico Tydeman:'Natuurlijk waren er critici die hadden gewezen op de invloed van Rilke [zie foto rechts; K], die wisten dat hij woorden en uitdrukkingen ontleende aan de kabbala en dat hij een bibliotheek bezat met de klassieken uit de mystieke literatuur. Maar niemand durfde hem een mysticus te noemen. Lucebert "had het ongeluk een mysticus na de tweede oorlog te zijn". Vanaf de tijd van de wederopbouw tot ver in de jaren tachtig was een mysticus voor de gemiddelde intellectueel of ziek of gek, in elk geval iemand uit een ver verleden. Of hij was voor enkele overgebleven gelovigen een mens van God, van onberispelijke levenswandel en buitensporige deugdzaamheid, een beeld dat Lucebert in geen enkel opzicht benaderde. Toch was hem een ervaring ten deel gevallen, die de aard van zijn poëzie geheel zou gaan bepalen en waardoor veel van zijn gedichten gelezen kunnen worden als moderne varianten van de mystieke traditie.
Lucebert (...) was in 1943 opgeroepen voor de Arbeitseinsatz en werd te werkgesteld in Apollensdorf nabij Wittenberg. Daar verbleef hij een jaar. Terug in Amsterdam dook hij onder bij een broer. Na de oorlog had hij verschillende baantjes. Hij zwierf rond, vond soms onderdak bij vrienden of vriendinnen, maar was meestal te vinden in en rond het Vondelpark, waar hij sliep onder de brug. In die tijd - de laatste oorlogsjaren en de jaren direct erna - moet hij overvallen zijn door "een verschrikkelijk wonder" [helaas kan ik op het web geen andere vermelding van dit veronderstelde biografische feit vinden[1]; waarschijnlijk staat het in een van de referenties die Tydeman geeft onder zijn stuk; K]. De inhoud ervan laat zich moeilijk vaststellen. Maar gezien zijn terminologie - en Lucebert koos zijn woorden zeer zorgvuldig - vond hij in de kabbala en in de werken van Hadewijch, Ruusbroec, Johannes van het Kruis en Dionysius de Areopagiet de woorden en de beelden die hem hielpen een poëtische uitdrukking te vinden voor zijn visioen. Overdonderd door een onuitsprekelijke schoonheid had hij een gebied leren kennen van zuiverheid en ongereptheid waar slechts de fluisterstemmen van de engelen klinken, waar de aarde niet bevuild is, waar de wereld van goed en kwaad bij verbleekt. Om dit mystieke rijk te beschrijven, zou hij een nieuwe taal moeten scheppen, de analphabetische taal, want het gangbare alfabet was al te zeer besmeurd door zijn burgerlijke gebruikers. Hij zoekt de taal in haar schoonheid en weet dat deze schoonheid in onze tijd haar gezicht heeft verbrand: beeld voor de verschroeide aarde, de menselijke waanzin, de totalitaire politiek, extreem cynisme, fascisme. Hier ligt zowel Luceberts roeping tot het dichterschap alsook zijn felle kritiek op de moderne mens en de maatschappij. Zijn anarchisme heeft diepe, religieuze wortels. Vandaar zijn beginselverklaring: uitdrukking te geven aan "de ruimte van het volledig leven". "Volledig leven" was hem in het visioen aangezegd. Vol en ledig: enerzijds vervuld van grote schoonheid, het domein van het licht, de openbaring, de goddelijke volheid, anderzijds het domein van de duisternis, de schaduw, de droom. Zijn gedichten spelen zich af tussen die twee met elkaar strijdende, mystieke gebieden, die beide op gespannen voet staan met de alledaagse realiteit. De dichter herkent beide domeinen slechts in zichzelf in zijn "Weltinnenraum" (Rilke ) [in zijn beroemde gedicht Es winkt zu Fühlung; K] en hij ziet het als zijn taak wat hij innerlijk gezien en beleefd heeft naar buiten te brengen.'

Hier schrijft ene Johan Verstraeten:

Levende metaforen (...) maken 'semantische innovatie' mogelijk. (...). Dat is bijvoorbeeld het geval met een tekstfragment van Rilke over Weltinnenraum, door Etty Hillesum ooit beschreven als het mooiste dat over het innerlijk leven kan worden gezegd:

Durch alle Wesen reicht der eine Raum:
Weltinnenraum. Die Vögel fliegen still
durch uns hindurch. O, der ich wachsen will,
ich seh hinaus, und
in mir wächst der Baum.

Peter Sloterdijk geeft trouwens weer een andere invulling aan het begrip Weltinnenraum, in zijn essay over de globalisering,
Weltinnenraum des Kapitals (Nederlandse vertaling Het Kristalpaleis, Uitgeverij Boom, 2006, p. 213 e.v.). Naar mijn smaak typeert Sloterdijk de verzen van Rilke vreselijk denigrerend - al zal het wel weer pseudo-ironisch en grappig bedoeld zijn - als een 'wereldbeleving op een voor het primaire narcisme kenmerkende wijze' omschreven. Niettemin zijn enkele van z'n verdere opmerkingen treffend (wat ik hier schreef over Kristeva in verband met Lucebert resoneert ermee[2]):

'Waar dit soort stemming expliciet wordt, daar worden de aanwezige omgeving en haar imaginaire voortzetting door de warmtebelevingen en betekenisvermoedens van een beweeglijke, hooggestemde en ongedifferentieerde psyche opgevuld. Deze beschikt over het protomagische vermogen om alle dingen die ze aanraakt in bezielde medebewoners van haar universum te veranderen. Ook de horizon wordt bij deze manier van beleven niet als grens en overgang naar het buiten ervaren, maar als omlijsting van de binnenwereld. De uitstorting van de ziel kan zelfs tot een oceanisch coherentiegevoel worden opgevoerd, een gevoel dat heel goed geïnterpreteerd kan worden als een herhaling van de foetale gewaarwording in een uiterlijke setting (...)
Onthouden we dat de dichter het voorzetsel 'in' de ongewone opdracht geeft het Ik als integraal reservoir of universele plaats te bevestigen - in directe tegenstelling tot Heideggers analyse van het in-zijn in Sein und Zeit (1927), waar het 'in' als positiebepaling van de ek-sistentie, dat wil zeggen van het naar-buiten-gehouden-worden in het opene, gebruikt wordt. De tegenstelling zou met de uitdrukkingen entase versus extase kunnen worden aangegeven [mij komt eerder een fundamentele overeenkomst dan een radicaal verschil met Heigeggers Dasein voor de geest, met name vanwege Heideggers centrale begrip aletheia; K].
De Rilkeaanse grondhouding valt in Bachelards La poétique de l'éspace onder de beleving van de 'innerlijke onmetelijkheid'. Waar zo gevoeld kan worden, daar verliest de omgevingsruimte zijn eigenschap van vreemdheid en wordt als geheel in het 'huis van de ziel' veranderd. Van een dusdanig bezielde ruimte kan men met recht zeggen dat ze op zichzelf al de 'vriendin van het Zijn' is. Voor een topofiele stemming duidt dit soort ruimten op alle reservoirs van een leven dat zich in zijn van haar grenzen ontdane omgeving als in een kosmische woning thuis voelt.'

[Vervolgens brengt Sloterdijk - waarmee diens ironie een verondersteld geestig cynisme wordt dat enigszins riekt naar afgunst jegens de Rilkeaanse 'entase' - de noties van Rilke in verband met die van... Adam Smith. Maar wat wil je ook van een man die het waarborgen van de kwaliteit van de publieke zaak, in het bijzonder de verzorgingsstaat, niet langer door middel van belastingen, maar via vrijwillige schenkingen door trotse (thymos bezittende) rijken zou willen regelen - aldus een terugkeer van de vernederende en armoede koesterende liefdadigheid presenterend als een fraaie schrede voorwaarts; waarmee Sloterdijk zich een ware adept betoont van Nietzsche en diens uiterst bedenkelijke Herrenmoral; zie ook dit rake commentaar van Gijs van Oenen en deze knappe bespreking van Zorn und Zeit door Stefan Beyst. Maar dit geheel terzijde.]

Liever is mij de 'eenvoudige' duiding van Ton Lemaire in zijn prachtige studie Op vleugels van de Ziel; Vogels in voorstelling en verbeelding (Ambo, 2007, p. 375):

'De vervlechting van mens en wereld is ook mooi verwoord [door] Rilke. De dichter benadrukt [in Es winkt zu Fühlung] de eenheid van zelf en wereld en van binnen en van buiten. De boom groeit in de aarde maar tegelijk in ons, de vogels vliegen buiten rond maar ook in onszelf. Rilkes verzen vertolken een eenheidservaring met min of meer pantheïstische trekken, die ook in zijn overige werk is te vinden.
Ik herinner nog aan (...) een andere Duitse dichter, Hesse, die eveneens een ervaren eenheid van mens en dier uitdrukte, zij het dan met betrekking tot een ver verleden:

Meine Seele flieht zurück,
Bis wo vor tausend vergessenen Jahren
Der Vogel und der wehende Wind
Mir ähnlich und meine Brüder waren.


Hesse verwijst naar een tijdperk waarin mens en dier op voet van gelijkheid met elkaar omgingen en elkaars taal nog konden verstaan. Dit besef van een paradijs van oorspronkelijke harmonie klinkt door in menige mythe en menig sprookje en in gedichten. Maar dit paradijs (...) is altijd al een verloren paradijs.'


Noten
 

[1] Toegevoegd juni 2014: In zijn mooie beschouwing "Mystieke ervaringen in Nederlandse poëzie in de eerste helft van de twintigste eeuw" gaat Ad Haans diepgaan in op "dat vreselijke wonder dat mij eens overkwam", dat Lucebert aanroert in zijn "Open brief aan Bertus Aafjes" (De Groene Amsterdammer, 1953). Zie ook "Het Volkomen Vreemde en de poëzie; Naar aanleiding van Jan Oegema's Lucebert, mysticus", door Thomas Vaessens (De Gids, jaargang 162, 1999) en "Het verschrikkelijke wonder; Over de Tweede Wereldoorlog en de Nederlandse literatuur na 1945" door Jaap Goedegebuure (Literatuur, Jaargang 19, 2002).

[2] Toegevoegd februari 2012: zie ook noot [8] van mijn blognotitie 'De cirkel van de waarheid, Wittgenstein en Merleau-Ponty', waar ik tastend een verband leg tussen het performatieve aspect van het spreken, de taal van de muziek (Willem Wander van Nieuwkerk: 'klinkende gebaren')
, Robert Pirsigs 'dynamische kwaliteit', Julia Kristeva's 'chora' of 'moederlijke ruimte', Merleau-Ponty's 'vlees', Wittgensteins 'levensvorm' (verwant met 'taalspel') en Heideggers 'speelruimte'. Onder verwijzing naar mijn blognotitie over '(open)baren'.


Zie ook m'n blognotities:
Hoe je de waarheid vastnagelt: de paradox van de evidentie
Apestaartje, systeemgat en menselijk bewustzijn
Yi Won: moed in de woestijn
Leegte, 'er-zijn', speelruimte en (on)vergankelijkheid

Lilith, Lucebert en herziene taal van God
Meditatie over zin en vertrouwen

De toekomst volgens Mulisch

Archief met (online) het verzameld werk van R.A. Cornets de Groot

Wikipedia en
Schrijversinfo.nl over R.A. Cornets de Groot.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen