blogspot visitor

28 mei 2009

Kladgedachten bij Pirsigs Lila

[Tanslation to English by Google]

Waarom het begrip "kwaliteit" van Robert Pirsig verwonderlijk veel gemeen lijkt te hebben met "aletheia" bij Martin Heidegger.

Boektitel: spel der goden

Pirsig heeft volgens de redacteur van Lila's Child, een bundel commentaren op de roman annex filosofische verhandeling, gezegd dat de naam van de vrouwelijke hoofdpersoon, Lila, 'accidental' was - wat vreemd klinkt uit de mond van een auteur die in India de oude Hindoeïstische filosofie heeft bestudeerd:
I asked Pirsig ... he said it was like 'lilac' and that 'it was the unsubtlety of the lilac odour and the hardiness of the bush that helped suggest her name to me'.
Want Lila is niet zomaar een geur of kleur in de Hindoeïstische filosofie:
Lila (...) is a concept within Hinduism literally meaning 'pastime', 'sport' or 'play'. It is common to both monistic and dualistic philosophical schools, but has a markedly different significance in each. Within monism, Lila is a way of describing all reality, including the cosmos, as the outcome of creative play by the divine absolute (Brahman). In the dualistic schools of Vaishnavism, Lila more simply refers to the activities of God and his devotees, as distinct from the common activities of karma.
[Wikipedia]
En Phaedrus stelt in de roman herhaaldelijk dat Lila de manifestatie is van met elkaar wedijverende patronen van statische Kwaliteit en opwellingen van dynamische Kwaliteit. Ook ontwaart hij in Lila's ogen en om haar heen het Dharmakāya-licht:
[The Dharmakāya] constitutes the unmanifested, 'inconceivable' (...) aspect of a Buddha out of which Buddhas and indeed all 'phenomena' (Sanskrit: dharmas) arise and to which they return after their dissolution (...) The Dharmakāya may be considered the most sublime or truest reality in the universe corresponding closely to the post-Vedic conception of Brahman and that of the Father in the Christian Trinity.
[Wikipedia]
Pirsigs ideeën over Lila resoneren dus sterk met het Hindoeïstische concept Lila.
De boot waarop Lila meevoer voor haar pad dat van Phaedrus kruiste, heette trouwens Karma.

Derwisj en relativiteitstheorie

Aan het slot van het boek - de waanzinnig geworden Lila heeft hem verlaten, meegenomen door Richard Rigel, die symbool staat voor verstarde statische Kwaliteit - tolt Phaedrus rond zijn as en voelt zich als een derwisj. Draait hij rond in de wereld of draait de wereld om hem heen? Vergelijk het probleem van de eekhoorn en de jager besproken door de filosoof William James, opgevoerd in Lila: als een eekhoorn door gelijk op met de jager, die rond de boomstam loopt waarop de eekhoorn zit, rond de stam te kruipen, zorgt dat de jager nooit achter hem komt: is de jager dan na het voltooien van een rondje om de boom tevens rond de eekhoorn gelopen, of is dat niet het geval, omdat hij niet achterlangs de eekhoorn is gekomen?
Waarbij Pirsig al dan niet terecht de link legt met Einsteins briljante, revolutionaire 'gelijkstelling' van de 'ongrijpbare' ruimte en tijd aan datgene wat een waarnemer als ruimte en tijd afleest van geëigende meetinstrumenten, dus aan wat wordt vastgesteld door middel van geritualiseerde wijzen van menselijke waarneming - een van de grondslagen van de speciale en algemene relativiteitstheorie.
Denk ook aan het rondtollen van Thelonious Monk, de man die in trance piano leek te spelen. Pirsig werpt in Lila een interessant licht op de trance en de psychose.

Etymologische speculaties

Tegen het eind van Lila legt Pirsig - een beetje out of the blue - een relatie tussen zijn centrale begrip Kwaliteit[2, 6, 7, 8], met een statisch en een dynamisch aspect, en de Hindoeïstische term ṛta in de zin van dharma.
Etymology of Dharma: it is from an Indo-Iranian root dhar ('to fasten, to support, to hold'), in turn from Proto-Indo-European *dher.
In the Rigveda, the belief (or observation) that a natural justice and harmony pervades the natural world becomes manifest in the concept of ṛta, which is both 'nature's way' and the order implicit in nature. Thus ṛta bears a resemblance to the ancient Chinese concept of tao and the Heraclitan or stoic conception of the logos.
[Wikipedia]
Dit doet me terugdenken aan mijn art brut-speculaties over dheu - do - tao.

www.etymonline.com: Dheu - Skt. dhavate 'flows, runs'

Curieuze vindplaats:
dher - to make muddy, darkness
dheu - to rise in a cloud, as dust
Dher en dheu zijn dus, al liggen ze alfabetisch 'naast elkaar', onderscheiden Indo-Germaanse wortels. De eerste genereert vooral betekenissen die met stevigheid, orde, draagkracht en vasthouden (ook een koers kan je vasthouden...) te maken hebben. De betekenissen rond de tweede strekken zich uit tot werveling, snel lopen, adem en dier (vergelijk 'sentient being' verderop). Toch intrigeert het me dat er kennelijk - maar ik heb alleen die ene referentie pal hierboven gevonden - een raakvlak is: 'make muddy' met 'rise as dust' en misschien ook, pure speculatie - via iets als 'koers', een belangrijk begrip in Pirsigs Lila - 'vasthouden aan het juiste pad' met 'snel lopen'.

Dheu - do - tao doet me in elk geval denken aan Pirsigs dynamische Kwaliteit. Pirsig legt in Lila niet de relatie tussen ṛta / dharma en tao die in de Wikipedia staat.
[Toevoeging een dag na schrijven van het voorgaande - Des te meer, hartstochtelijk zelfs (ik was dat vergeten), ziet hij Kwaliteit als tao in Zen and the Art of Motorcycle Maintenance (ZMM) - zie hier in de integrale tekst].

Grappig gegeven bij de speculatieve verbinding tussen 'dharma - tao' en 'dheu - loop der dingen - geest der natuur' is dat volgens mijn Duitse etymologische woordenboek (Duden Band 7, Bibliographisches Institut AG, Mannheim 1963) wellicht Taube, duif, oud symbool voor de ziel, via 'Dunst' tot de woordgroepen rond 'dheu' behoort (volgens de Duden vreemd genoeg wegens de donkere kleur van de meeste duiven). De in het stof rondscharrelende, vuile kruimels oppikkende, individueel of in grote zwermen telkens opfladderende straatduiven - in wervelingen van veertjes en stof - zijn concreet en symbolisch een prachtige verbinding tussen leven / de ziel en het stof.

Terzijde: in Peters schilderijtjes, waarmee mijn associaties rond dheu - do - tao ooit begonnen, kan je de orde van het dozijn onvergankelijke punten of schijven (pilaren, discipelen) zien als symbolisch voor statische Kwaliteit en de chaos van gelaagdheid, sporen, constructie en vernietiging, verschijnen en verdwijnen, als verbeelding van dynamische Kwaliteit.

Gankyil, dharma-wiel en stuurwiel

Interessant in verband met de link tussen dharma en tao (dus yin-yan) is de Tibetaanse Gankyil (zie hiernaast), vaak - nota bene - afgebeeld als de as van het Boeddhistische dharma-wiel[1] (illustratie zie hierboven). En met betrekking tot de rode draad van de boottocht van Phaedrus en Lila is het een mooi toeval(?) dat het dharma-wiel als twee druppels water lijkt op het stuurwiel van een schip (illustratie zie hieronder).

Verder intrigeert me de link met 'dampkring' (genoemd in de Duden), namelijk wegens mijn sterke gevoel dat de aardatmosfeer (zie ook het begrip 'sfeer' bij Sloterdijk, hieronder) de tao par excellence is - en de klimaatcatastrofe de ergst denkbare.

Damp en Lucebert

Mijn gedachten dwalen verder naar het vers 'daar dan zijn wij damp' van Lucebert in de bundel Atonaal:
Het proefondervindelijk gedicht

De zoeker naar de aard van een gedicht en
van des gedichts dichter
hij zal doof zijn voor het ijlingse
loven en laken van modejager & modeverguizer

de dichter hij eet de tijd op
de beleefde tijd
de toekomende tijd
hij oordeelt niet maar deelt mede
van dat waarvan hij deelgenoot is

mijn gedichten zijn gevormd
door mijn gehoor
en door de bewondering voor
en de verwantschap met
friedrich hölderlin & hans arp

de tijd der eenzijdige bewegingen is voorbij
daarom de proefondervindelijke poezie is een zee
aan de mond van al die rivieren
die wij eens namen gaven als
dada (dat geen naam is)
en
daar dan zijn wij damp
niemand meer rubriceert
In dit gedicht zit naar mijn gevoel meer dan alles wat ik in deze ruwe blognotitie over Lila probeer te ontrafelen!

Lucebert associeert de mythische godin Lilith met lila en leliezon - 'zon zon zon zij is de lila kieuw de leliezon' - zie m'n blognotitie Lucebert, Lilith en herziene taal van God. De link op 'lila' in de vorige zin komt uit op m'n notitie 'Drie-eenheid en man-vrouwverhouding', waar ik een citaat van een andere meditatie, 'Het glinsterpad der dingen' in heb verwerkt.

Uitje naar Mulisch. Man versus vrouw

Beide eerdere notities hebben raakpunten met Lila. De laatste wat betreft het doorgronden wat een ding (object, zijnde) is. De eerste om twee redenen.

a. Ik vermeld in 'Drie-eenheid en man-vrouwverhouding' de kijk van Harry Mulisch op de coïtus:
De lichamen (...) van de man en de vrouw (...) verenigen zich in de seksuele lust; daarbij gaan man en vrouw kortstondig ten onder (...).
[De compositie van de Wereld].'
In de woorden van Mulisch-liefhebber Bart de Goeij over de novelle Sterven en begraven:
[...] zijn beschrijving van de vrijpartij met Tessa houdt op bij het moment waarop zij samen op de grond gaan liggen en hij 'verzwolgen' wordt, waarna drie puntjes volgen en dan: 'Na een tijd doemt het weer op [...]'.
In hetzelfde stuk over Mulisch brengt De Goeij de wereld van de auteur overigens in verband met de interpretatie van Kants filosofie door Schopenhauer - die zoals bekend in Kants leer die van de veda's herkende. De filosofie van Kant en de oude Hindoeïsten spelen een grote rol in ZMM.

De overeenkomst met Phaedrus' beschrijving van de hem lang heugende vrijpartij met Lila op zijn boot is treffend, speciaal van zijn hoogtepunt:
[...] en hij liet heel zijn wezen in haar gaan en zijn geest sprong weg naar een plek aan gene zijde van al het bestaande... Toen zijn geest weer terugkeerde [...].
Tot en met de drie puntjes na 'het bestaande' bijna letterlijk de beleving van Mulisch.

b. deze passage in ZMM:
Phædrus, following a path that to his knowledge had never been taken before in the history of Western thought, went straight between the horns of the subjectivity-objectivity dilemma and said Quality is neither a part of mind, nor is it a part of matter. It is a third entity which is independent of the two. He was heard along the corridors and up and down the stairs of Montana Hall singing softly to himself, almost under his breath, 'Holy, holy, holy - blessed Trinity'.
Ad a. De frappante overeenkomst met Mulisch doet een soortgelijke kijk op de man-vrouwverhouding vermoeden - de man de drager van de geest, het genie en de vrouw de drager van het kind. Denk aan de zwangere én comateuze Ada in De ontdekking van de hemel en de belangrijke rol van de pop in Lila, die de waanzinnig geworden Lila voor haar dode dochtertje houdt en die door Phaedrus priesterlijk-ritueel wordt teruggegeven aan de oceaan aan het slot van het boek. Ada als comateuze, Lila als waanzinnige moeder...

Ergens hier bespeur ik de kern van de jammerlijke man-vrouwverhouding in Lila, waar ik nog op zal terugkomen; en wellicht ook van de starheid van Pirsigs rigoureus hiërarchische zedenleer (zie ook de recensie van Russ Allbery, geciteerd in de noten [4] en [9]).

Ad b. Wat betreft Phaedrus' bewering dat hij een in de Westerse filosofie nog nooit begane weg is gegaan: iemand die de belangrijkste filosofen ook maar oppervlakkig heeft gelezen, kan niet zijn ontgaan dat in de twintigste eeuw in elk geval en bij uitstek Heidegger meende de subject/object-dichotomie[9b] - volgens velen gesticht door Plato en invloedrijk geformuleerd door Descartes - te hebben doorzien. Zie bijvoorbeeld hier:
The 'I' that Descartes discovers through his methodological doubt is by no means the most primordial self. Heidegger suggests that Dasein as being-in-the-world solves the dichotomy of the subject-object ontology.
Hieronder zal ik meer gedetailleerd laten zien dat een, misschien wel hét fundamentele begrip bij Heidegger, dat hij opdiepte uit de tijd van de pre-Socraten, frappant overeenkomt met Pirsigs begrip Kwaliteit. Ook de afkeer van Aristoteles en de voorliefde voor de pre-Socraten deelt Pirsig met Heidegger.

Waarde, waarheid en dinggemeenschap

Aan het slot van Lila zegt Pirsig dat 'Goed is een substantief' (in tegenstelling tot een adjectief) de beste samenvatting in één zin is van zijn metafysica van de Kwaliteit.

'Waar' (als tegengesteld aan onwaar) houdt etymologisch verband met het Latijnse verus en het Oud-Ierse fîr (Aula etymologisch woordenboek, J. de Vries, Het Spectrum, 1958, 1973 ).

'Waar' (als in koopwaar, goede waar) hangt etymologisch samen met 'waarnemen' [sic!] in de betekenis van 'zorgen voor'. Nota bene zegt De Vries:
Daarbij moet men niet denken, dat de koopwaar datgene is, waarvoor men zorg draagt of waarvoor men verantwoordelijk is; beide betekenissen 'koopwaar' en 'zorg voor' zijn ontstaan uit de functies van een mensengemeenschap, wier naam uit die van omheining is ontstaan - zie weer.
Dus onderscheiden herkomsten van 'waar' in genoemde beide betekenissen.

De Vries schrijft verder:
Waard (2): 'kastelein', ontstaan uit ouder werd, vgl.osaks. wird, ohd. wirt. Dit woord is reeds wegens de betekenis moeilijk te scheiden van onoors verdhr 'maaltijd, spijs'. Men heeft dit woord bij de groep van weer willen brengen en er op gewezen dat, zoals zo vaak, uit 'omheining' het begrip 'kring der mannen' op de dingvergadering ontstond, waaruit zich ook de functies van die gemeenschap afleiden laten, zoals in dit geval het gemeenschappelijk feestmaal der dinggenoten.

Waard (4): ontstaan uit ouder werd (...) Daarmee is in het id-germaans alleen te vergelijken kymr. gwerth 'waarde'. Er zijn vele verklaringen voor dit woord gegeven. Het eenvoudigste is wel het te verbinden met waard (betekenis 2 hierboven) (...) In het verkeer der mannen van een dinggemeenschap ontstaan vanzelf de begrippen 'waarde' en 'waarde hebbend'.
Andere aanwijzing dat Pirsig iets fundamenteels (of triviaals..?) ziet: het verband tussen de kwaliteit van een ding en het begrip 'deugd' in de oude maar nog steeds gebezigde zegswijze dat een bepaald voorwerp 'niet deugt', of juist 'deugdelijk' is - als in 'deugdelijke spullen'.

Je kunt fantaseren dat niet alleen 'waarde' het product was van de omheinde dinggemeenschap, maar net zo goed 'waarheid'. En zo een link leggen tussen beide betekenissen van 'waar' - al is dat verband zuiver etymologisch gezien dus niet correct.
Alleen al het woord 'dinggemeenschap' is prachtig in de context van Pirsigs metafysica, waarin dingen, objecten, niet op zichzelf bestaan, los van het bewustzijn (i.e. van de waardepatronen waar ze deel van uitmaken), maar evolutionair als het ware tevoorschijn worden gebracht in een voortdurende stroom van dynamische Kwaliteitsopenbaring, telkens zich uitkristalliserend en 'bewust vastgelegd' in patronen van statische Kwaliteit. (Op de door Pirsig genegeerde kwestie of aan de evolutie vóór de mens doelgerichtheid en zelfs bewustzijn al eigen was, ga ik hier niet in; zie mijn blognotitie 'Evolutie, natuur, mens & doelgerichtheid').
Er is een onmiskenbare verwantschap tussen het denken van Pirsig en dat van Teilhard de Chardin, die in Lila slechts zijdelings wordt genoemd.

Patern of value

Aan Pirsigs centrale, fundamentele begrip pattern of value 'patroon van waarde' is inherent de door hem beleden merkwaardige, verre van meteen heldere, samenhang tussen ruimtelijkheid (waarneming van dingen, orde) en waarde (besef van kwaliteit, moraal). Ongetwijfeld bedoelt Pirsig het zo dubbelzinnig: 'patroon van waarde' kan je lezen als 'patroon (bijvoorbeeld een object) waarvan de waarde wordt ingezien of valt in te zien' of als 'waardepatroon' waarbij de waarde in kwestie zelf een zintuiglijk karakter heeft.
Pirsig, als ik hem goed begrijp, denkt de eerste - niet bepaald schokkende - opvatting te verenigen met de - ondoorgrondelijke of gewoon logisch onmogelijke - tweede, door te stellen dat uitsluitend zintuiglijke patronen (bijvoorbeeld dingen) worden waargenomen waarvan de positieve of negatieve waarde wordt beseft (of, vul ik verder in, ooit in evolutionaire voorstadia werd beseft en nog niet is vergeten hoewel die waarde mogelijk niet meer geldt). Beter gezegd: dat uitsluitend patronen worden onderkend die zich openbaren als zijnde van positieve of negatieve waarde.
De vraag is... van positieve of negatieve waarde voor iets of iemand? Zo nee, wat betekent in godsnaam: op zichzelf een hoge of lage kwaliteit, een positieve of negatieve waarde hebben (of zijn)? Zo ja, dan kom je weer op de eerste zienswijze uit. En dat wil zeggen: hetzij op een relativisme[3, 4] of solipsisme; hetzij op iets als universeel, zij het soms slechts latent, menselijk inzicht; hetzij op een alomtegenwoordige godheid (of pantheïsme) als ijkpunt.

Tautologie en relativisme

Formuleert Pirsig meer dan een ingewikkelde, maar au fond bijna tautologische voorstelling van zaken die uitgekleed neerkomt op iets als 'waarde is wat als zodanig wordt ervaren' - en ipso facto voor Kwaliteit? Of geeft hij een betekenis aan 'waarde' en 'kwaliteit' die flink afwijkt van de gebruikelijke betekenis, zonder duidelijk te maken hoe zijn betekenis zich verhoudt tot de gebruikelijke en tot begrippen als 'patroon', 'subject' en 'object'?

En: aangezien wat voor de ene mens (of het ene soort organisme) waardevol is, voor de andere (soort) juist betekenisloos, van generlei waarde, schadelijk of immoreel is, beland je zo in een waarden-relativisme - en meegaand met Pirsigs gedachtegang zelfs ontologisch relativisme - dat het begrip 'waarde' grondig uitholt en in elk geval onbruikbaar maakt voor een metafysica met de pretentie van algemene geldigheid.
Tenzij je probeert (tevergeefs, zie verder) je uit het relativisme te redden door een evolutionaire hiërarchie van complexen - organismen, culturen, denksystemen - op te stellen en te poneren dat wat op een hoger evolutionair niveau als waardevoller geldt, waardevoller is; of door te vervallen in solipsisme (dan wel een ondoorzichtig 'idealisme van solipsistische monaden'); of door een of ander universeel menselijk oordeelsvermogen te veronderstellen; of door te geloven in een beslissend oordeel van god of goden.

Echter... het opstellen van zo'n evolutionaire hiërarchie - een cruciaal deel van Pirsigs wereldbeschouwing - vooronderstelt een waardering van de niveaus en/of gaat uit van een onopgehelderde gelijkstelling van grotere complexiteit aan grotere Kwaliteit, dus is deze vermeende oplossing niet bevredigend[4]. Als uitwegen resteren slechts de genoemde: vervallen in een solipsisme of troebel idealisme; of uitgaan van al dan niet latent universeel (menselijk) inzicht, wat dat ook precies moge zijn; of het bestaan van een alomtegenwoordige godheid of gemeenschap van goden aannemen als universalistische waardebepalers - bijvoorbeeld in hun spel van Lila -, waarbij onduidelijk is hoe de goden hun waarderingen en waarden kenbaar maken.

Je metafysica zal onontkoombaar slechts een - en ook nog eens een voorlopige - metafysica zijn, namelijk die van de evolutionaire winner, van de tot-dusver-overheersende mens of cultuur. Of die van de solipsist, van de als-enige-levende. Of iets dat in principe neerkomt - eventueel verpakt in een eigenzinnig vocabulaire - op het in de Westerse filosofie al vroeg, door met name Plato[5] maar arguably eveneens door Aristoteles, geponeerde bestaan van een universele (menselijke) rede of vermogen tot inzicht, dat, zij het vaak latent, eigen is aan ieder mens. Of een ideosyncratische variant van een om de bekende redenen aanvechtbaar geloof in God en zijn Openbaring (aan jou).

Bij Pirsig zie ik een vreemd, fascinerend amalgaam van dat alles: Amerikaans-chauvinistisch winners-denken; solipsistische trekjes (tekenen van extreme in zichzelf gekeerdheid en betrekkingswaan); gemaskeerd platonisme (want zonder een vorm van platonisme is een universele metafysica niet mogelijk); en last but not least herschapen Hindoeïsme en juist affiniteit met verdwenen of onderschatte culturen.

Dinggemeenschap, sfeer en Sloterdijk

Terug naar de tot de verbeelding sprekende dinggemeenschap. Doet me denken aan het begrip 'sfeer' bij Sloterdijk. Frappant is dan dat Pirsig het in Lila aangaande statische Kwaliteit herhaaldelijk heeft over de immuunreacties van statische waardepatronen en dat immuniteit ook in Sloterdijks sferentheorie een belangrijke rol speelt. Die theorie ken ik niet goed genoeg om dieper op dit raakvlak in te gaan.

Uitje naar Kafka. Man versus vrouw (vervolg)

Nog wildere ingeving: een van de oudste vrouwenberoepen is wellicht dat van de waardin. Verstrekster van drank en spijzen aan de kring der mannen van de dinggemeenschap. Doet me denken aan Het Slot van Kafka, waarin de herberg, de waard en de waardin, bezocht door de geheimzinnige, machtige bestuurders huizend in het slot, een centrale plaats innemen. De waard(in) hoort en weet veel en is op een informele manier, latent machtig.
Ik zie er een afgeleide van de eerste, machtige voedselverstrekster in, de moeder, wier essentiële rol en betekenis - net zoals in het koksbedrijf en zeer fundamenteel, namelijk de vrouwelijke waarheid en waarde geüsurpeerd door mannen, in de grote religies - is ingelijfd door de mannelijke waard(e). De vreemdeling K. dringt als een soort microbe de sfeer van het slot binnen; de herberg - raakruimte tussen vreemdelingen en gevestigden - is de plek waar het plaatselijke immuunsysteem in werking treedt.

Je zou Lila - ze ontmoet Phaedrus trouwens in een café - kunnen vergelijken met K. in Het Slot. Lila staat dan tot Phaedrus' gedachten, die ze niet kan bevatten, zoals K. zich verhoudt tot de onnavolgbare overwegingen van de macht in het slot (toevalligerwijs probeert Lila, verdwaald in de regen op weg naar Phaedrus' boot, de haven op het spoor te komen door uit te zien naar een kasteeltorentje in de buurt ervan). In die vergelijking heeft kapitein Phaedrus de rol van toegangsverlener, waard (en veerman op de rivier die Lila, denkt ze in haar psychose, brengt naar het dodeneiland).

Of de rollen in deze analogie omdraaiend: Lila, de vrouw, is geobsedeerd door eten en drank. Ze kookt een feestmaal - de benodigde levensmiddelen worden betaald, dus het eetfestijn wordt mogelijk gemaakt, door Phaedrus, de man - voor Phaedrus en haarzelf en probeert tijdens het tafelen Phaedrus dronken te voeren. Ze fantaseert erover voor Phaedrus te blijven koken tijdens hun eventuele tocht naar Florida.
Ook de passages waarin Lila vindt dat ze er als een heks uitziet en bang is er een te worden, passen in een denigrerend vrouwbeeld van de auteur, niet minder dan de sleutelrol die Lila's seksualiteit (met name haar borsten) speelt bij het wekken en gaande houden van Phaedrus interesse.

Tegelijkertijd, niet in tegenspraak met het voornoemde, ziet Phaedrus Lila als een soort medium, toegangspoort tot het spel der goden met dynamische Kwaliteit en manifestatie van het Dharmakāya-licht.

Seksistisch én warrig is dat Phaedrus enerzijds Lila 'intellectueel nergens' acht en alleen biologische Kwaliteit toedicht, terwijl hij over de vrijpartij theoretiseert:
'...een bijenkoningin kiest uit duizenden darren. Die selectie is Dynamisch. Bij iedere seksuele selectie kiest Lila, Dynamisch, het individu dat ze in de toekomst wil projecteren. Als hij haar Kwaliteitsbesef prikkelt, verenigt ze zich met hem om hem in een volgende generatie te doen voortbestaan (...).'
Ten eerste is het onbegrijpelijk dat iemand die verstandelijk inferieur is, toch 'Dynamisch' geprikkeld kan worden door de intellectuele kwaliteiten van een ander. Schuilt die verheven dynamische Kwaliteit in de als nare herinnering van Lila doorwerkende aansporing van haar moeder om studiehoofden als Phaedrus uit te verkiezen? Maar die aansporing is toch voortgekomen uit een star, statisch sociaal waardepatroon dat status boven liefde stelt? Of veronderstelt Phaedrus dat Lila zich seksueel met hem verenigde om zijn lichamelijke eigenschappen en wil ze die terugzien in nageslacht? Dat is onwaarschijnlijk, Phaedrus heeft van zijn fysiek geen hoge dunk, wat hem in de loop van zijn leven tenminste eenmaal pijnlijk ingewreven is (zoals Phaedrus het interpreteerde dan) door een bepaald meisje in een tram. Een meisje dat hem gek genoeg tijdens zijn boottocht in Lila toch telkens als een soort voorafschaduwing van Lila voor de geest komt. Of zou zijn wonderbaarlijke danskunst in het café van zijn eerste ontmoeting met Lila de biologische trigger moeten zijn? Dan maakt zijn omgang met en analyse van Lila de indruk van een ingehouden-triomfantelijke revanche op de vroegere vernedering.
Ten tweede (dit is zo mogelijk nog evidenter en geringschattender) komt het kennelijk niet bij Phaedrus op dat een vrouw zichzelf of haar geliefde én zichzelf in de toekomst zou willen projecteren; hij neemt domweg aan dat haar seksuele handelingen in het teken staan van zijn voortleven na de dood...

Plat gezegd, is de dragende vertelling van Lila een cliché met een ingewikkelde filosofische context als verpakking: de zoveelste rationalisering door een man van de beruchte 'onoverbrugbare afstand' tot een vrouw, die hij, zonder dat in de kern te onderkennen, voornamelijk zelf in het leven roept door zijn superioriteitsgevoel. Dat Lila gestoord blijkt te zijn, doet aan deze observatie niet wezenlijk af (en in het begin hield ze haar psychosen eronder met medicijnen). De man is de actor, min of meer alwetend; de vrouw is au fond speelbal van krachten die haar begripsvermogen te boven gaan. Geen van haar denkbeelden is helder en interessant. Het is ook opvallend dat in het verhaal geen enkele vrouw een rol van betekenis speelt.

Pirsigs harde en deels terechte kritisering van de denkgestalte Plato-Socrates geldt wat betreft de man-vrouwverhouding dan ook a forteriori zijn eigen theorie (en inderdaad, zie onderstaand citaat, voor de 'dialektiek' van de mannelijke denker met uitsluitend andere mannen):
Phaedrus finds in the Platonic dialectic - that is, logical argumentation through cross-examination - not a real concern with beauty or wisdom in the sense of understanding, love, or desire to achieve or possess them, but rather a device to install Reason as their usurper - Reason to enthrone itself. 'The parvenu, muscling in on all that is Good and seeking to contain it and control it' (...)
[Phaedrus] began to see for the first time the unbelievable magnitude of what man, when he gained power to understand and rule the world in terms of dialectic, had lost. He had built empires of scientific capability to manipulate the phenomena of nature into enormous manifestations of his own dreams of power and wealth', [but for this he had exchanged] 'an understanding of what it is to be part of the world, and not an enemy of it.
[3]
Dat Pirsig hier en daar gelukkig met 'de kapitein' in Lila de spot drijft - de enige bladzijden waar je als lezer nu en dan in de lach schiet - doet aan zijn misogynie weinig af. 

Etymologische speculaties (vervolg). Tat Tvam Asi

Pas even na het schrijven van bovenstaande zag ik dat het woord 'derwisj', in het begin van deze notitie, toevalligerwijs een brug slaat tussen de klank van 'dher' en de betekenis 'wervelen' van 'dheu'. Afijn, dit is zo mogelijk nog meer 'art brut'-denken dan het voorgaande.

Ook is leuk dat (volgens de Duden) 'Dheu' doorklinkt in dösen 'doezelen', in de betekenis van 'gedachteloos zitten, half slapen' - hetgeen klikt met wat Pirsig zegt over mediteren en trance tegen het slot van Lila. En dat 'dheu' via het adjectief 'dösig' verwant is met het Oud-Engelse dysig 'waanzinnig', wat een link biedt met Pirsigs beschouwingen over het verband tussen psychose, droom, trance en meditatie.

Verder zit 'dheu' in het Oud-Indische dhū-má-h - verwant met het Latijnse fumus 'rook' en het Griekse thymos 'geest, moed' en tumon 'zich in de rondte draaien' (toch weer de derwisj!) - dat qua uitspraak oppervlakkig in de buurt komt van 'dharma'. Maar nogmaals, 'dher' van dharma 'heilige plicht, hogere waarheid' en 'dheu' van Dunst 'werveling, damp' zijn nu juist duidelijk aparte Indo-Germaanse wortels.

Je kunt opperen, dat 'dher', via dharma en ṛta, het oerwoord is voor statische Kwaliteit; en 'dheu', via onder meer dhū-má-h, het oerwoord voor dynamische Kwaliteit; met het begrip 'tao' als verbinding.

Denk bij 'tao' in relatie tot 'dharma' weer aan de Tibetaanse Gankyil, symbool voor primordiale energie en as van het dharma-wiel (de wielas is exact wat beweging paart aan vastigheid):
The Gankyil also embodies the energy manifested in the three aspects that yield the energetic emergence (Tibetan: rang byung) ['miraculeus, spontaan, uit zichzelf tevoorschijn komen en bestaan'; vergelijk het pre-Socratische φύσις[7]] of phenomena (Sanskrit: dharmas) and sentient beings (Tibetan: yid can):
  1. dang, (...), which is essentially infinite and formless;
  2. rolpa (...), which may be perceived as the thoughtform of 'the eye of the mind', or the transpersonal imaginal manifestation;
  3. tsal (...), which may be conceived as the manifestation of the energy of the individual, as apparently an 'external' world.
Though not discrete correlates, dang equates to dharmakāya [sic!] (...).
[Wikipedia]
De uitleg in de wikipedia van de Tibetaanse begrippen rang byung, tulpa (thoughtform) en yid can is bijzonder boeiend met betrekking tot Pirsigs metaphysica.

Dit snijdt m.i., hoe uiterst speculatief ook, meer hout dan Pirsigs poging ṛta via dharma te interpreteren als mede omvattend dynamische Kwaliteit. Want ṛta en dharma staan toch hoofdzakelijk voor statische zaken als orde, wetmatigheid en religieuze plicht, als ik op mijn dilettantistische verkenningen af ga.
Pirsig zelf in Lila : 'Dharma betekent net als ṛta 'wat samenhoudt'. Het is de grondslag van iedere orde. Het is gelijk aan oprechtheid [zie ook hieronder!]. Het is de ethische norm. Het is de stabiele toestand die de mens volmaakte tevredenheid biedt.' Met kort daarna ter verdediging dat ṛta ook dynamische Kwaliteit is, een knappe, maar niet overtuigende bespreking - Pirsig negeert het schrijnende historische gegeven van Zen-meesters die voluit meegingen in het Japanse fascisme rond de tweede wereldoorlog - van de strakke rituelen van Zen, die volgens Pirsig juist niet in tegenspraak zouden zijn met het ervaren van Kwaliteit ook in haar dynamische aspect.

Leuk is dat de Indo-Germaanse wortel 'dhe', ten grondslag liggend aan het woord 'daad' (en als 'dho' aan 'doen'), is wat 'dher' en 'dheu' qua letterbeeld gemeen hebben (maar 'dhe' is weer een aparte wortel). En dat 'dhe' iets weg heeft van 'dao'.
Een 'daad' is zowel dynamisch, als iets dat een bepaalde, vaak statische beoogde toestand bewerkstelligt.
Zo kom je losjes fantaserend op iets uit als: dynamische en statische Kwaliteit als scheppend (inspiratie, initiatief) respectievelijk consoliderend (afronding, uitwerking) 'doen'[6]. Dingen en waarden in één beweging de creaties van de dinggemeenschap.
Waarbij dus de fundamentele kwestie rijst, waar de vrouw en het vrouwelijke zijn als mede scheppend in dit dingen-van-waarde-in-het-leven-roepende mannengebeuren (zie hierboven). Er zal een orde ontstaan waarin de man de toon aangeeft, spreekt, inricht, beslist over waarde en waarheid.

Verder is het misschien voor deze hoogst speculatieve duidingen 'jammer' dat de woorden die mogelijk het primordiale beseffen van zijnden, dingen, identiteiten, orde, een patroon verklanken, nog voorafgaand aan het 'wat' daarvan, te weten de, die en dat, in vele talen, teruggaan op het Indo-Germaanse 'to' (zoals in het Oud-Grieks nog letterlijk) - dat qua klank wél enigszins op 'dho' lijkt, maar opnieuw een aparte wortel is en niet behoort tot 'dhe', 'dho', 'dher' of 'dheu' - voor zover ik dat als amateur-etymoloog niet geheel onjuist zie. Gekscherend kan je zeggen dat het allemaal op zuigelingentaal - dada, tata - teruggaat.

Via deze reeks fantasievolle ingevingen en betrekkingen kom je dus op de samenhang:
'ṛta' - 'dharma' - 'dher' - 'dhe' / 'daad' - 'dheu' - 'do' / 'dao' of 'tao' - 'dho' / 'to do' of 'doen';
Plus een verband met 'zijn' (zie verder)!

Volgens de wikipedia is ṛta (...) cognate to Avestan aša. [Een nóg meer art-brutachtige associatie: dit doet me denken aan de beroemde zin 'Tat Tvam Asi' = 'Gij Zijt Dat[10]' - letterlijk staat er: 'Dat Gij Zijt'. Dus een link tussen ṛta (aša) en 'zijn' (via asi)? De š is geen s, maar - zie de paragraaf hieronder - dit verband lijkt inderdaad te bestaan...]
It [aša] is first of all, 'true statement'. This 'true statement', because it is true, corresponds to an objective, material reality. This reality embraces all of existence. Recognized in it is a great cosmic principle since all things happen according to it. [Boyce:] 'This cosmic [...] force is imbued also with morality, as verbal Truth, 'la parole conforme', and Righteousness, action conforming with the moral order.'
The correspondence between 'truth', reality, and an all-encompassing cosmic principle is not far removed from Heraclitus' conception of logos.
[Wikipedia]
[Toevoeging een dag na schrijven van het voorgaande - Ik was vergeten dat 'Tat tvam asi' een belangrijk ingrediënt is van ZMM! - zie hier en hier. De zienswijze 'gij zijt dat' houdt trouwens een onmiskenbare solipsistische verleiding of dreiging in (zie ook eerder in deze tekst); vervang 'dat' maar eens door 'de ander', op z'n 'pluriformst' kom je dan uit op een verzameling van solipsistische monaden, die tot elkaar in een onopgehelderde betrekking staan.]

Kwaliteit / ṛta en aletheia. Pirsig en Heidegger

Opwindend in deze fantastische variaties op Lila is verder, dat:
Both Avestan aša/arta and Vedic ṛta are commonly translated as 'truth' as this best reflects (...) the original meaning of the term (...) [aša] is also the proper name of the divinity Asha (...) That 'truth' is also what was commonly understood by the term [i.e. aša], is attested in Greek: In Isis and Osiris, Plutarch calls the divinity [i.e. Asha] Αλήθεια, Aletheia, 'Truth'.
(...) The adjective corresponding to the noun aša/arta, 'truth', is Avestan haithya- (haiθiia-), 'true' [dit lijkt ook een beetje te klinken als Αλήθεια, maar misschien is dat onzin].
(...) haithya- derives from Indo-Iranian *sātya that in turn derives from Indo-European *sat- 'being, existing'. [sic! - dus toch een verband tussen ṛta en 'zijn'; K]
(...) aša is everything that druj- [leugen] is not (...).
[Wikipedia]
Aletheia (Aλήθεια) is the Greek word for 'truth', and like the English word implies sincerity as well as factuality or reality [cursivering door mij; K - weer dus de samenhang tussen waarde (oprechtheid) en feitelijkheid of werkelijkheid]. The literal meaning of the word Aλήθεια is, 'the state of not being hidden; the state of being evident'.
[Wikipedia]
Er staat als het ware 'niet-lethe-heid', waarbij λήθ, lethe, 'vergetelheid' (bij Heidegger 'vergetenheid') of verborgenheid betekent. De Lethe is natuurlijk een beroemde rivier in Hades, de onderwereld.

Dit geeft, tussen haakjes, nog een fijn bruggetje met het hierboven geciteerde Het proefondervindelijk gedicht van Lucebert, die een grote liefde voor Hölderlin gemeen had met Heidegger; en met het rivier-motief in Lila.

Besef ook het volgende:
Another meaning of 'reality' may be inferred from the component parts of the aša/arta, that is, from (root) with a substantivizing-ta suffix. The root corresponds to Old Avestan arəta - and Younger Avestan ərəta - 'established', hence aša/arta 'that which is established'.
(...) The word for 'established', arəta-, also means 'proper'.
[Wikipedia]
1. Vergelijk de link die Phaedrus legt tussen ṛta en het Griekse aretê. En wat hij zegt over de klank 'rt' in woorden als aritmetica, art (kunst), retorica, worth (waarde), rite, ritueel, wright (een verouderd Engels woord voor 'maker') en right (juist). Wat hij samenvat als: 'Rt betekende eerst. (...) Rt verwees naar de 'eerste, geschapen, schone, herhaalde ordening van morele en esthetische juistheid'. Waaraan hij toevoegt: '(...) interessant dat de aritmetica tegenwoordig nog in de wetenschap deze status bezit'.

2. 'Dat wat is vastgesteld' is waar ik hierboven steeds op doel met - of beter wat ik als de 'uitkomst' zie van - het 'dat', of de 'primordiale, oer-ordenende waarneming'[7]; en eerder in de tekst, à la Pirsig: 'patroon zich openbarend als zijnde van waarde'. Toegevoegd april 2011: denk ook aan establishment in verband met de voornoemde dinggemeenschap?

Heeft Pirsig deze prachtige verwantschap - tussen zijn centrale begrip, Kwaliteit en Aletheia, een fundamenteel begrip in het denken van Heidegger[8, 7] - niet ontdekt[11]? Ook als er qua letterbeeld geen etymologische samenhang is van ṛta / aša via haiθiia met Αλήθεια en de verbintenis (aldus de wikipedia) tot stand kwam doordat Plutarchus in Isis en Osiris de godin Asha de naam Αλήθεια schonk, is de betekenisovereenkomst frappant.

Pirsig zal Heidegger toch niet verzwijgen (in ZMM én in Lila) om zelf origineler uit de verf te komen? Het heeft er dus de schijn van, dat Pirsig op zijn eigen manier, maar zeer wie Heidegger, probeert het menszijn (Dasein) te denken als verkerend in de 'openheid' of 'onverborgenheid' (aletheia, Lichtung) en als 'ziener' van 'het zijn': 'Dasein as the seer looks into the process of Beings un-concealment (aletheia)' (ibid.).
Opmerkelijk, gezien Lila als spel der goden, is dat Heidegger die 'openheid' aanduidt met Spielraum (ibid.) en dat hij in de geest van Hölderlin aarde, lucht, goden en stervelingen samen denkt (in een Geviert), daarbij rituelen analyserend.

Aletheia en evidentie

Het gaat bij ṛta en aletheia om wat evident[8, 7 over φύσις als proces van tevoor-schijnen] is - een cruciaal, maar immer ongrijpbaar begrip in elk denken en filosoferen. 'Evident' zou ik uit mijn hoofd omschrijven als 'wat een oprechte beschouwer en/of denker noodzakelijk vaststelt, i.e. uit het beschouwde of overdachte opmaakt'. In die omschrijving zit een veelzeggende spanning tussen 'oprecht' (dus vrij, zelfverkozen) en 'noodzakelijk' (dus onontkoombaar, niet anders denkbaar). Het gaat erom, dat de oprechte beschouwer de evidentie tot haar recht laat komen en dat het nalaten daarvan onverenigbaar is met haar/zijn oprechtheid.
Je zou een filosofische turf kunnen schrijven alleen over het begrip evidentie; wellicht gaat alle levendige filosoferen eigenlijk over niets anders dan dat[10], in eindeloos veel contexten.
Zonet deze omschrijving gevonden:
'De term evidentie is afgeleid van het Latijnse evidentia, dat het zichtbare, onmiskenbare, klaarblijkelijke en schitterende aanduidt. Met het evidente wordt - bij deze oorspronkelijke betekenissen aansluitend - het in zichzelf klaarblijkelijk inzichtelijke bedoeld, waarover geen nadere bewijsvoering nodig of mogelijk is; datgene dat onmiddellijk kan worden ingezien, zij het niet zelden nadat eerst een inspannend leerproces is nodig geweest: Aristoteles (...) maakt reeds onderscheid tussen het meest evidente 'voor ons' en het meest evidente 'naar de zaak'.
Je ziet een fundamentele moeilijkheid in deze goede uitleg meteen opdoemen. Hoezo 'onmiddellijk' in te zien, maar vaak nadat eerst een (mogelijk inspannend) leerproces is nodig geweest? (zie zijdelings ook mijn blognotitie 'Artaudische eenzaamheid'). Je ziet hier spontaan voor je zowel de ontwikkelingsgang van een baby, die langzamerhand steeds meer dingen weet te onderscheiden die voor de volwassenen evident zijn, maar voor het kindje aanvankelijk 'in nevelen gehuld', onwaarneembaar of beter: onwaargenomen en voor - en slechts voor! - dit nog niet uitontwikkelde wezen niet bestaand (werkelijk zijnd). En je denkt meteen aan de voor experts onmiskenbare gebeurtenissen, structuren, elementen en nuances binnen een werkelijkheid (muziekstuk, beeldhouwwerk, voetbalwedstrijd et cetera) die de leek merendeels volstrekt ontgaan.

De idealistische of ontologisch-relativistische valkuil is: aannemen dat dergelijke gebeurtenissen, structuren, elementen en nuances slechts bestaan als een soort veredelde hersenschimmen van de deskundige beschouwer. Of: het gelijk stellen van 'nog niet ontdekt, nog niet evident' met 'niet bestaand, niet werkelijk zijnd'. Of: het aannemen dat een bedenksel, schepping, vrucht van creative play, eigenlijk niet als een werkelijk ding of zijnde - en in die zin zelfstandig - bestaat en kan blijven bestaan. Pirsig maakt impliciet dergelijke fouten. Denk hierbij onder meer aan kunstwerken: beelden, schilderijen, toneelstukken, muziek; men verwart dan het scheppen, gekenmerkt door de ongrijpbare inspiratie en een louter schetsmatige, instabiele, conceptuele fase (analogie: de toedracht rond de conceptie van een kind) met het uiteindelijk geschapene, vorm gekregen hebbende en geobjectiveerde en gewaardeerde - vergelijk Pirsigs dynamische respectievelijk statische Kwaliteit.

Deze overwegingen wijzen eveneens op een leemte in het denken van Pirsig over Kwaliteit, omdat hij nergens de kwestie van het leren onderkennen van hoge of lage kwaliteit onder de loep neemt[7]; dus in het bijzonder het probleem negeert van het verschillend waarderen door deze en gene persoon of cultuur - het eigenlijk zo voorstelt, dat Kwaliteit zonder meer evident is. Waardoor hij, zoals hierboven betoogd, dreigt te vervallen in een waardenrelativisme of zelfs ontologisch relativisme, dat hij, zonder te overtuigen, te boven denkt te komen door een sowieso onvoldoende uitgewerkte en weinig subtiele, maar waarschijnlijk in principe inconsistente evolutionistische ethiek te introduceren[12].

Misschien wel het belangrijkste onopgeloste probleem van Pirsigs metafysica van de Kwaliteit, dat zijn meest fundamentele begrip grondig erodeert, wordt gesteld door het evidente ervaringsfeit, dat (creatieve) mensen aan de lopende band beloftevolle ingevingen, kiem-gewaarwordingen hebben, die mogelijk - niet noodzakelijk! - van (grote) waarde zijn. Pas via een soort trial-and-error, spelen met de ingeving, schetsmatige uitwerking van de inspiratie, blijkt het waarde-potentieel ervan (of niet). Dat hierop misschien uitzonderingen bestaan, zoals componisten die een muziekstuk 'in een keer' innerlijk schijnen te horen, lijkt me eerder een extra complicatie dan een ontkrachting van dit feit en de wezenlijke betekenis ervan. Sterker nog: het is de vraag of zelfs een rijpe kunstenaar zonder het oordeel van een of meer door hem speciaal gewaardeerde anderen tot de uiteindelijke slotsom komt, dat hij iets van (grote) kwaliteit heeft gemaakt.
Pirsig roert dit wel aan waar hij het heeft over mislukkende, uitstervende, van het toneel verdwijnende voortbrengselen van de dynamische Kwaliteit. Maar hij lijkt niet het primaire probleem te zien, dat Kwaliteit - bij uitstek binnen een evolutionistische werkelijkheidsopvatting - eerder iets is dat later blijkt dan onmiddellijk. Dit is overigens tevens een buitengewoon moeilijk te doordenken aspect van het hierboven summier uiteengezette begrip 'evidentie'. Waarschijnlijk beland ik hier onbeholpen in de mysterieuze ruimte tussen subjectiviteit en intersubjectiviteit, 'ik' en 'wij', 'individu' en 'mensengemeenschap' - dinggemeenschap van mannen én vrouwen! - en rijst het vermoeden dat 'evidentie' en 'kwaliteit', hoe graag menigeen ze ook voor een hoogstpersoonlijke beleving wil houden, eigenlijk intersubjectieve fenomenen zijn. Cryptisch vervat in het voornoemde Tibetaanse, tot de Gankyil - drie-eenheid van 'energetische verschijning' - behorende gebeuren rolpa, oog van de geest, transpersoonlijke imaginaire manifestatie? Of... in een hernieuwd begrip van de triniteit, waarin man én vrouw volledig tot hun recht komen?[13]

Zie ook m'n latere blognotitie:
Hoe je de waarheid vastnagelt: de paradox van de evidentie

Images wikipedia:Dharma-Wheel (above), one of the most important buddhist symbols, representing the Noble Eightfold Path taught by the Buddha;
Tibetan Gankyil, the principal symbol and teaching tool: it is symbolic of primordial energy and represents the central unity and indivisibility of all the teaching;
Classical steering wheel (below) in wood for an old large sailing ship.

Noten

[1] Zie ook 'Epilegomena to the Study of Greek Religions and Themis', waar over het dharmawiel onder meer staat vermeld: 'The sun is called the wheel of ṛta'. Hierbij moet ik denken aan het zonnerad zoals geperverteerd door Hitler, zie m'n blognotitie 'Plato's zon en Nietzsche's tijger'. Het geloof in een onpersoonlijke, 'onmenselijke' oerkracht annex ordening als hogere drijfveer van de kosmos, houdt wellicht een aanzienlijk risico in op een min of meer fascistische politieke oriëntatie. Die gruwelijke gevolgen kan hebben als een en ander wordt vormgegeven en aangevoerd en door een charismatische leider met een 'solipsistische stoornis'.

[2] Vergelijk Caryl Johnston[9] die Pirsig citeert: 'Quality could not be defined, but we know that it exists, because without it life would be impossible or unrecognizable. One way of getting at it is to say that Quality is the immediate participatory relation with things.'


[3] Vergelijk Caryl Johnston: 'Plato dismissed the Sophists as teachers of 'ethical relativism', but Phaedrus finds this to be a piece of propaganda. The Sophists were concerned with aretê, virtue, or excellence - i.e., 'Quality'. Phaedrus finds in the Platonic dialectic - that is, logical argumentation through cross-examination - not a real concern with beauty or wisdom in the sense of understanding, love, or desire to achieve or possess them, but rather a device to install Reason as their usurper - Reason to enthrone itself. 'The parvenu, muscling in on all that is Good and seeking to contain it and control it.' Thus Phaedrus 'began to see for the first time the unbelievable magnitude of what man, when he gained power to understand and rule the world in terms of dialectic, had lost. He had built empires of scientific capability to manipulate the phenomena of nature into enormous manifestations of his own dreams of power and wealth', but for this he had exchanged 'an understanding of what it is to be part of the world, and not an enemy of it.'
Ik ben er dus, zie de hoofdtekst, bepaald niet van overtuigd dat het Phaedrus is gelukt aan een ethisch en zelfs ontologisch relativisme te ontkomen. En doen de goden in hun spel en tijdverdrijf van Lila niet bij uitstek waar ze zin in hebben, wat hen behaagt? Is wat God(en) behaagt, per definitie goed? Maar dit is nog een grotere zijsprong.

[4] Een concrete kwestie hierbij, die ook Teilhard de Chardins visie problematisch maakt, is dat de ecologie van een omvattend systeem (denk aan de aardse dampkring, aardkorst, waterhuishouding) mogelijk complexer is dan een afzonderlijke soort, c.q. de hersenen van een organisme van die soort. De complexiteit van de menselijke hersenen laat zich moeilijk vergelijken met die van het totaal der aardse kringlopen (De Chardin beweert veel te makkelijk dat de aarde als geheel slechts een wanordelijke verzameling is, eigenlijk geen werkelijk geheel is; James Lovelock vertolkt het andere uiterste).
De Chardin en krachtens zijn eigen logica ook Pirsig - maar zie ook noot 3 hierboven voor de kritische kant van de laatste - hebben een blinde vlek voor het verschijnsel dat een ecosysteem (of ecosystemen) door toedoen van een afzonderlijke soort - of de hersenen of samenlevingsvorm daarvan nu 'complexer' zijn dan dat ecosysteem of niet - uit evenwicht kan worden gebracht en zelfs vernietigd, waarbij het bepaald niet vast staat dat die soort vervolgens overleeft. Wat uiteindelijk overleeft, kan dan weer veel minder complex zijn dan zowel die soort als de verwoeste ecosystemen. Met andere woorden: 'overleven' is een nauwelijks bruikbaar begrip, omdat de ermee gemoeide tijdspanne in het ongewisse blijft. Dit geldt in het bijzonder voor de huidige uitwerking van de mens op de aardse ecologie, in het bijzonder het klimaatsysteem.

Toegevoegd een dag na schrijven van bovenstaande - Zie ook de recensie van Russ Allbery: 'His next leap, though, gets him into the most trouble that he has in this book. Based on this model, he proposes a very absolute model of morality where moral actions are dominance of higher-evolved patterns over less-evolved patterns and immoral actions are the reverse. In other words, it's moral for biological patterns to dominate inorganic patterns, moral for human social patterns to dominate biological patterns, and moral for intellectual patterns to dominate human social patterns. Above all of this, he places dynamic quality as the most important, since dynamic quality is creativity, change, and growth, and therefore no static pattern should have the right to suppress dynamic quality. In places this works; in places, I think it fails badly. For one, it reduces too easily to an order of being in which humans dominate the planet because we're more evolved and we therefore have an absolute moral right to use any inorganic or lower biological pattern to our own purposes, leaving no justification for environmentalism other than purely pragmatic human concerns. I think this is an odd miss; even if he completely disagrees with environmental ethics, I wanted to see him address them, and explain why, then, so many of us have a strong notion of stewardship and obligation to protecting lower biological patterns that goes beyond simple practical maintenance of our social and intellectual lives.'

[5] En Plato probeerde zoals bekend de ultieme eenheid van het ware, het schone en het goede te denken, daarbij helaas vervallend in een zekere verachting voor het lichaam en het materiële en zelfs voor veel typen kunstwerken (en kunstenaars). En volgens velen - maar een Cornelis Verhoeven dacht daar anders over, meen ik - voor het eerst in de ontwikkeling van het denken een fundamentele scheiding ponerend van geest/ideeën versus materie/zintuiglijke werkelijkheid ofwel van subject versus object.
Anderzijds moet in herinnering worden gebracht, dat in Plato's kenleer sprake is van anamnese: kennen in de zin van het terugkomen of weer te binnen brengen van vergeten inzichten (onmiddellijke vertrouwdheid met de werkelijkheid). Zó ver staat a-letheia (zie verder in de hoofdtekst en zie de noten [7] en [8]), en Heidegger, dus wellicht niet af van Plato... Interessant is dat Plato Socrates de anamnese laat beschrijven met de analogie van het ter wereld brengen van een kind met behulp van een vroedvrouw - de wijze, de mannelijke filosoof, openbaart de Werkelijkheid en brengt de Waarheid aan het licht. Zie ook mijn 'Theologische speculaties'. Overigens verwijst Plato naar de anamnesetheorie - ontwikkeld in de dialogen Meno en Phaedo
- in zijn Phaedrus.

[6] Het woord 'kwaliteit' gaat volgens mijn Duden terug op het Latijns facere - doen, maken; maar dan in de zin van 'zich eigen maken' (cf. zich kwalificeren). Het is hoogstwaarschijnlijk slecht een toeval, dat aletheia 'letterlijk' doorklinkt in 'qua-ality' / kwa-aliteit'. Het woord zou zo bezien volgens dit woordenboek via 'qua' de Indo-Europese wortel *kwo bevatten: 'qua: "as, in the capacity of," 1647, from L. qua, abl. sing. fem. of qui "who," from PIE *kwo-, stem of relative and interrogative pronouns (cf. O.E. hwa "who," hwæt "what;" Goth. hvas "who;" Gk. posos "how much?")'. Vergelijk het Duitse 'wie'. 'Quality' zou je dan kunnen lezen als 'qua a-lethe-eia', dus 'in de hoedanigheid van onverborgenheid' of zelfs als 'wie/wat in een staat van waarheid is'. Dit alles vind ik omtrent de geschiedenis van het woord 'kwaliteit' echter niet terug in de etymologische woordenboeken die ik - vluchtig - heb geraadpleegd en is waarschijnlijk niet meer dan grondeloze fantasie.

[7] Caryl Johnston: 'Pirsig’s quest, therefore, led him to make his attack at the very citadel - the subject-object division. More fundamental than a subject which thinks and objects which are thought about is the 'Quality' which leads us to postulate the existence of subjects and objects. '...at the cutting edge of time, before an object can be distinguished, there must be a kind of non intellectual awareness ...You can’t be aware that you’ve seen a tree until after you’ve seen the tree' [*](ZMM, 250) And: 'Reality is always the moment of vision before the intellectualization takes place ...Since all intellectually identifiable things must emerge from this preintellectual reality, Quality is the parent, the source of all subjects and objects'. (251).'
[*] Zie mijn beschouwing over 'evident' in de hoofdtekst: Pirsig negeert helaas het wezenlijke gegeven, dat er ook veel zaken zijn, die je juist eerst (pas) ziet nadat je geleerd hebt ze te zien - iets wat Aristoteles, nauwkeurig als altijd, in zijn denken betrekt. Ik weet niet zeker of dit punt is opgelost, door te stellen dat er altijd iemand moet zijn die het - althans het zich mogelijk aarzelend en geleidelijk aftekenen, verschijnen, van waarde blijken - voor het eerst, onmiddellijk, primordiaal ziet: ont-dekt (onthult, ont-bergt) precies inzoverre het (mogelijk) Kwaliteit, van waarde is.

Verder schrijft Johnston: 'His reflections on Quality are very much in agreement with modern theories of perception, e.g. as R.L. Gregory puts it, in Eye and Brain: The Psychology of Seeing (1966; 1971): "Objects are far more than patterns of stimulation; [they] have pasts and futures; when we know its past or can guess its future, an object transcends experience and becomes an embodiment of knowledge and expectation without which life of even the simplest kind is impossible".'

Gregories opmerking resoneert, behalve met Husserls inzicht dat het ding (object) trancendentaal is, misschien met het denken van Heidegger over tijd, zoals bijvoorbeeld kort aangeduid in 25 Eeuwen Filosofie (Boom, Meppel 1987): '... dat de tijd eigenlijk niet kan worden gedacht als een opeenvolging van nu-momenten, maar als samenhang die bestaat tussen wat reeds gebeurd is en wat nog te gebeuren staat'. Dit heeft natuurlijk ook alles met scheppen en 'herscheppen' te maken, bijvoorbeeld van 'de geschiedenis'.
Vergelijk deze opmerking over Heidegger in 25 Eeuwen Filosofie: 'Ook dat wat geweest is, verschijnt in deze bezinning niet langer als het vertrouwde object van de actuele historische interpretatie, maar verkrijgt in het licht van de nietigheid van de actuele historische interesse een niet-objectiveerbare openheid voor de toekomst. Daarom zal de latere Heidegger (...) de geschiedsfasen markerende Denkers en Dichters (...) pogen te ontrukken aan de objectiverend-antiquariserende greep van de historiografie, om aldus de mogelijkheid van hun toekomstige geschieden open te houden.'

Plus lees dit tekstfragment uit een essay over Heidegger en aletheia: '
For Heidegger, the de-volution of Western thought began with Plato, for it was with him that νοείν ceased to have the sense of containing the advance of over-powering φύσις (cf. het cursief in noot [2] en het tweede cursief in noot [3]; voor het geváár ervan - waar Heidegger, misschien overweldigd door zijn in de hoofdtekst aangestipte gevoeligheid voor rituelen, helaas voor bezweek - zie noot [1]; en vergelijk het Tibetaanse begrip rang byung 'miraculeus, spontaan, uit zichzelf tevoorschijn komen') and began to assume the special relation to ίδέα, which evolved into what the tradition would call 'reason' (Vernunft). We discern the transition best, however, by examining not Plato's use of νοείν but rather the implications of ίδέα, for it was thus that he understood the Being which his predecessors had understood as φύσις. It was Plato's conception of Being rather than of thought which was decisive in the birth of metaphysics. If we recall that φύσις (emergent-abiding-Power) was for the pre-Socratics the process of truth, then the transformation of φύσις into ίδέα may be discerned by examining what Plato understood by truth. This the author [Heidegger] disengages by an essay upon the famous metaphor of the cave (Politeia VII, 514 a, 2 to 517 a, 7). "(...) In Plato metaphysics in the traditional sense takes its rise, for it is he who first conceives of thinking Being as a going "beyond" the beings of experience to their being-ness, which he conceives as their what-ness, their see-ableness, their Idea. Such a conception is possible only because a consequence of φύσις (process of shining-forth) is taken to be the essence of it. Hence φύσις itself becomes for him that-which-is-to-be-seen, a being (είδος). Being thus becomes conceived as a being. Likewise truth, no longer non-concealment, becomes correctness of view, conformity with the Ideas."
Denkend aan deze passage bij Caryl Johnston: '...there would appear to be a fundamental similarity between Plato’s idea of the Good and Phaedrus’s notion of Quality. Phaedrus acknowledges the significance of the idea of truth, which became the centerpiece in the progressive unfolding of Western science. But a mind grappling with philosophy that it is determined to win anew cannot rest content with platitudes - no matter how true or elevated. Such a mind seeks to become nourished with something akin to a historical imagination. That is to say, it will not merely rest content with what has been gained, but ponder on what might have been lost. What might have been lost in the victory of Plato and Aristotle over the Sophists?'


[8] Wikipedia: '(....) Martin Heidegger [met name Aristoteles en Plato bekritiserend en terugrijpend naar het pre-ocratische denken] resurrected a-letheia and developed the notion into the form recognized today: a renewed attempt to understand Truth. Heidegger gave an etymological analysis of the term, and drew out an understanding of aletheia as 'disclosedness'; cf. lethe as forgetfulness.
Thus, aletheia is distinct from the more well-known conceptions of truth as statements which accurately describe a state of affairs (correspondence), or statements which fit properly into a system taken as a whole (coherence). Instead, Heidegger focused on the elucidation of a meaning of truth that is pre-Socratic.
Chiefly, then, aletheia is the truth that first appears when something is seen or revealed. It is to take out of hiddenness to uncover. It is not something that is connected with that which appears. Allowing something to appear is then the first act of truth; for example, one must give attention to something before it can be a candidate for any further understanding, for any understanding of space it must first somehow appear. Untruth, then, is something concealed or disguised'.
Zie ook de Nederlandse wikipedia: 'Het is vooral de Duitse filosoof Martin Heidegger geweest die de oorspronkelijke betekenis van het begrip heeft benadrukt: het "on-verborgen", "on-verhuld" zijn van de dingen ontstaat, volgens hem, doordat de mens ze onthult, d.w.z. ze (...) onttrekt aan het "Niets". De mens is volgens Heidegger "open plek" (Lichtung) in het zijn.'
De overeenkomsten met het denken van Pirsig over het fenomeen 'Kwaliteit', als voorafgaand aan (en mogelijkheidsvoorwaarde van) het 'wat' en de subject/object-verhouding en -scheiding, springen in het oog!


[9] Leuk: na het schrijven van deze blognotitie - exclusief veel van wat nu in de noten staat - zocht ik met Google naar 'aletheia "robert pirsig"' en stiet - de eerste treffer - op de blog meta-q.blogspot.com, 'Dedicated to the furtherance of R.Pirsig's Metaphysics of Quality' en wel het initial essay van de blog, getiteld 'In Search of Quality', waarin staat: 'According to Ortega y Gasset, metaphysics has to do with the sphere of fundamental beliefs. He noted that the original word for philosophy, as practiced in the mystery-schools of the Sophists and Presocratics, aletheia, the unveiling or 'truth-finding process', was too unsettling and uncomfortable for people, and in the later classical age Plato and the others came up with a more neutral term, the 'love of wisdom'.
Robert Pirsig would find Ortega’s train of thought - going back to the early Sophists and rhetoricians of ancient Greece, very congenial.
This word aletheia, the unveiling, was later translated into an orientalized version of the word for the last book of the Bible - Apocalypse.'

Na lezing van dit essay heb ik hierboven nieuwe noten toegevoegd en andere uitgebreid.

Ik zie op de blog niet het verband Pirsig - ṛta - aletheia- Heidegger.
Misschien leuk hierover eens te corresponderen?

Hmm, Caryl Johnston is, getuige haar verschillende blogs, toegetreden tot de katholieke kerk; en noemt in sympathiserende zin het 'vehemente' verzet van een van haar grootvaders tegen The New Deal van Roosevelt, die toch onloochenbaar en deels succesvol draaide om het van staatswege verbeteren van het lot van armen en werklozen; en Roosevelt stelde zich vierkant op tegenover het Amerikaanse fascisme rond vliegenier Lindbergh (zie Philip Roth's roman The Complot Against America)...

Zie ook de recensie van Russ Allbery: '[Pirsig] draws a few other conclusions from this absolute morality that I found disturbing. For example, he considers social control of biology to be moral and even makes the very incorrect claim that social control over biology is always through force and makes an ancillary argument that attempts to deal with crime through anything other than force are doomed. Despite a lot of discussion of the good and bad of Victorian morality in other parts of the book, he seems to completely miss issues of desperation, poverty, and class here and simply writes off violent crime as a biological pattern of survival of the strongest.'

De aloude strijd tussen rechts/conservatief en links/politiek-correct. In Nederland behoort C.I. Dessaur wat betreft crimineel gedrag tot het eerste kamp.

Van de andere kant stemt Carlyn Johnston in met Pirsigs deels positieve kwalificatie van de hippies - al verraadt haar speciaal noemen van 'being a good mum' als een van de mooie dingen waar het de hippies waar zij zich bij thuis voelde om ging, weer een erg conservatieve instelling: 'The Hippie movement was the real moral movement' and (...) 'the present period (he [Pirsig] was writing in the 1990’s) represents the real collapse of values'; 'The Hippies, said Pirsig, having rejected both social and intellectual patterns, were 'left [with] just two directions to go: towards biological Quality and towards dynamic Quality'. This statement very accurately summarizes my [writes Caryl Johnston] feelings and apprehensions of this period, which of course at the time, were not altogether conscious. But, he continues, 'The revolutionaries of the sixties thought that since both are antisocial, and since both are anti-intellectual, - then they must both be the same thing. That was the mistake.'
En daarmee ben ik het eigenlijk wel eens; Pirsigs uitwerking van die overtuiging biedt een interessante, zij het natuurlijk geen alomvattende, kijk op de 'bevrijdingsbeweging' van de jaren zestig.
 

[9b] Toegevoegd juli 2013: 'the' zit - of dit etymologisch klopt weet ik niet - in 'theorie'. Van theoria "contemplatie, speculatie, kijken naar, bekeken ding", van theorein "beschouwen, speculeren, kijken naar", van theoros "toeschouwer", uit thea "schouwspel" (denk aan 'theater') + (h)oros "wie ziet", van horaein zien (Duden).
'Theorie' impliceert dus qua oorspronkelijk betekenisveld een scheiding tussen subject (toeschouwer) en object (schouwspel). Mogelijk betreft dit een vroege - Oud-Griekse - rationalisering van de ongrijpbare, ondeelbare en onmiddellijke 'evidentie' van het 'tao' en 'theo' in de zin van 'ik loop snel'. Tekenend voor de hiermee gemoeide 'patriarchale coup' is dan dat 'thea' - het schouwspel, het bekekene - vrouwelijk is en 'horos' - de beschouwer, de kijker - mannelijk.
 

[10] Opnieuw neem ik me voor het boek Het dat, het wat en het waarom (1996) van Cornelis Verhoeven te lezen. En gauw deze documentaire op YouTube over Heidegger te bekijken.

[11] Ook moet ik eens dit artikel van Ian Hornsby lezen op moq.org, waarin enige verwantschap tussen Pirsig en Heidegger wordt betoogd; en de ruim veertig Google-zoekresultaten binnen moq.org op "Heidegger" napluizen... het woord 'aletheia' valt daar niet en ook elders op het web vind ik tot nu toe niets over dit begrip in verband met het werk van Pirsig.

[12] Zie verder nog eventueel het paragraafje criticism op de wikipedia-pagina over
Lila. De welwillende recensie van Russ Allbery met terechte kritiek op Pirsigs zedenleer. En dit vernietigende commentaar op Amazon.com van Glenn Bradford over het denken van Pirsig. Plus Bradfords bijdragen aan de speciale site 'The Metapysics of Quality' moq.org (met mailinglists). Ik had e.e.a. niet gelezen voordat ik het overgrote deel van deze blognotitie had geschreven; de meeste teksten van Bradford zal ik wel nooit doornemen.

[13]
Toevoeging februari 2012: zie ook noot [8] van mijn blognotitie 'De cirkel van de waarheid, Wittgenstein en Merleau-Ponty', waar ik tastend een verband leg tussen het performatieve aspect van het spreken, de taal van de muziek, Robert Pirsigs 'dynamische kwaliteit', Julia Kristeva's 'chora' of 'moederlijke ruimte', Merleau-Ponty's 'vlees', Wittgensteins 'levensvorm' (verwant met 'taalspel') en Heideggers 'speelruimte'. Onder verwijzing naar mijn blognotitie over '(open)baren'.
In de studie
Maternal ethics and other slave moralities bekritiseert Cynthia Willett Kristeva, die misogyne connotaties van haar filosofische begrippenkader onvoldoende onderkent. Een soortgelijke kritiek treft in mijn ogen Robert Pirsigs Lila. Willet schrijft bijvoorbeeld: 'Earlier we noted that, for Kristeva, the symbolic cannot escape the prostitution of meaning that originates in the semiotic. 'The signifying process, according to Kristeva, depends upon the underlying drift of semiosis. w also noted that, for Kristeva, the smiotic cannot entirely elude capture by the stractures of the symbolic. The semiotic appears in its solicitations of the symbolic. But if we can gain acces to the semiotic only by way of its whoring effects on the symbolic, then we are also entitled to inquire about the symbolic overtones of what Kristeva describes as emiotic disperion' [cursivering door mij in verband met het personage Lila in Pirsigs filosofische verhaal; K].

Zie ook m'n blognotitie:
Hoe je de waarheid vastnagelt: de paradox van de evidentie

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen