blogspot visitor

11 maart 2010

Hoe je de waarheid vastnagelt: de paradox van de evidentie

Mooi interview met wetenschapshistoricus Floris Cohen over zijn pas verschenen boek Isaac newton en het ware weten, door Martijn van Calmthout in de Volkskrant van 6 maart j.l.

Van Calmthout naar aanleiding van Cohens stelling dat de natuurwetenschap vooruitgang kent:
De cruciale vraag moet dan zijn: hoe kan dat? Waar Cohen op inhaakt met: 'Hoe timmer je de waarheid uiteindelijk vast? Waarom lukt dat? Dat is de echte vraag [cursiveringen door mij; K].
De metafoor 'vasttimmeren' of 'vastnagelen' die Cohen in het interview tot twee keer toe debiteert in verband met het betrappen en verkondigen van de waarheid, past frappant goed in het hoogst speculatieve verband dat Harry Mulisch in De compositie van de wereld legt tussen het feit dat volgens het christendom (de Zoon van) God - Jezus: 'ik ben de weg, de waarheid en het leven' - aan het kruis, i.e. een werktuig, is genageld, en de op den duur bij uitstek binnen de christelijke wereld op gang gekomen technische vooruitgang (ook Isaac Newton was zeer gelovig; de leer van Descartes over de onbezielde uitgebreidheid van de wereld achtte hij een opmaat tot atheïsme).

In de tijd van Newton (1643-1727) stond de methode om tot kennis te komen zeer ter discussie - denk alleen al aan Descartes' Discours de la méthode (1637). Cohen:
De mate van zekerheid van een uitspraak was een heel centrale kwestie. Hypotheses non fingur, schrijft Newton: ik verzin niets. Strikt genomen is dat niet waar: hij doet namelijk niet anders. Maar wat bij bedoelt, is dat hij niet uit eerste beginselen werkt, maar streeft naar zekerheid achteraf[*****]. Via toetsing van de strikte wiskunde en de [herhaalbaarheid van toedrachten voorspellende; K] experimenten [cursiveringen door mij; K].
Descartes en andere rationalisten lieten zich niet van hun verondersteld onbetwijfelbare eerste beginselen, evidente zekerheden, afbrengen door waarnemingen die ermee in strijd waren.

Naar aanleiding van Newtons bekende belangstelling voor de alchemie zegt Cohen:
Newton zocht wel degelijk naar de Steen der Wijzen. Het lijkt er op dat uit die experimenten een deel van zijn visie op materie, licht en kracht is voortgevloeid.
Cohen:
Ware wetenschap ontstaat uit een combinatie van verbeelding en uiterste strengheid. Uiteindelijk komt het aan op het vastnagelen van wat je beweert [cursivering door mij: K].
Zie ook wat ik in m'n blognotitie Apenstaartje, systeemgat en menselijk bewustzijn zeg over bevestigen in verband met evidentie[******].

Een hypothese is trouwens een voorbeeld van een (vaak bewerkelijke) bewering die - als het ware - tegelijk en met betrekking tot dezelfde zaak zowel waar is als onwaar. Je zou in het werk van Popper moeten duiken om precies te weten waarom een hypothese geen belichaming van een contradictie is (dus ook geen feit-uitspraak zoals Mulisch die op het oog heeft). Toch hebben de hypothese en het daar meestal nauw mee verbonden model van de werkelijkheid wel een beetje het karakter van een synthese van feiten (wat het geval is in de werkelijkheid) en uitspraken (wat gezegd wordt over de werkelijkheid): van een ware vorm van de wereld. Popper poneert, naast de objectieve en de subjectieve wereld, een derde wereld, 'World 3', die bestaat uit onder meer hypothesen, modellen en andere intersubjectief navolgbare creaties van de menselijke geest. Een muziekstuk is een mooi voorbeeld van een bijna letterlijke eenheid van feit (uitvoering en beluistering) en uitspraak (notenschrift); maar inderdaad: bijna... ook als een muzikaal begaafd persoon de muziek in zijn hoofd hoort bij het lezen van de partituur, zoals een meestercomponist de muziek die hij noteert tevens kan horen, is er de driedeling: beleving van de muziek (subjectief, World 2); materiële vorm van de partituur (objectief, World 1) en het muziekstuk (intersubjectief, World 3)?

Ik meen te hebben begrepen dat volgens Popper al onze kennis hypothetisch is, dus ook wat we (inmiddels) zeker denken te weten. Het grappige is dan dat het testen van een bepaalde hypothese, waarbij in het algemeen onderzoeksmiddelen en tenslotte een onderzoeksuitslag te pas komen, vooronderstelt dat andere hypothesen, namelijk die betreffende de validiteit van de onderzoeksmiddelen en de vaststelling van de onderzoeksuitslag, waar zijn of nauwkeuriger: niet worden betwijfeld en getest. Anders gezegd: de stelling dat iets is gefalsificeerd is kennelijk - maar m.i. weinig begrijpelijk - géén hypothese; volgens Popper kan een hypothese ondubbelzinnig worden weerlegd door de waarneming en gaat het vroeg of laat niet om een slechts mógelijke weerlegging (terwijl in de praktijk van de wetenschap in veel gevallen wel degelijk lange tijd onduidelijkheid bestaat over of iets een falsificatie is). Het gebouw van de kennis lijkt zo op drijfzand te zijn gebaseerd of op een wonderlijke manier geheel uit drijfzand te zijn opgetrokken en toch overeind te blijven.

Het eureka- of aha-moment van een onderzoeker kan een flits zijn van 'zo is het, geen twijfel mogelijk'. Vervolgens kan het, intersubjectief maar ook bij nader inzien voor de onderzoeker zelf, overgaan in een slechts speculatieve mogelijkheid, een hypothese. Na keer op keer zorgvuldig testen daarvan, kan het een onomstreden waarheid worden. Denk aan het proces van totstandkoming van het weten dat de aarde rond is. Eerst een briljant persoonlijk inzicht. Toen een lang proces van althans intersubjectieve twijfels en controles. Heden een dead certainty. Inmiddels is het zelfs zo, dat we de aarde vanuit de ruimte kunnen zien als zijnde rond - astronauten kunnen dat zonder tussenkomst van satellietbeelden en dergelijke. Daarbij is sprake van de (onmiddellijke) evidentie dat de aarde rond is: je neemt waar dat de aarde rond is met een net zo grote onbetwijfelbaarheid als je dat doet van een voetbal op het gras. 'De aarde is rond!' is een feit-uitspraak geworden, een waar verhaal.

Verwondering, identiteit en evidentie

Een (natuur)wetenschappelijke hypothese moet, aldus Cohen, iets zijn waarmee de waarheid streng (nauwkeurig en toetsbaar) wordt 'vastgenageld'. Maar dat neemt niet weg dat aan het uitwerken en 'hard maken' van een hypothese, een net zo belangrijke fase van vrijheid en verbeeldingskracht vooraf gaat, die vermoedelijk bij de beste wetenschappers samenhangt met verwondering (wie handelt uit louter machtsoverwegingen en eerzucht, wordt geen grensverleggende wetenschapper, maar een politicus? Of kunnen de prestaties van een Newton toch uit prestatiedrift en verlangen naar eeuwige roem, uiteraard gepaard aan een exceptioneel hoge intelligentie, worden verklaard...?)

In het hoofdstuk Uitgestelde identiteit in zijn boek Inleiding tot de verwondering (Ambo, 1967) brengt Cornelis Verhoeven de spanning onder woorden in het begrip identiteit. Hij zegt bijna letterlijk dat een ding zo is en toch ook niet zo is (cf. Mulisch' verwerping van het principium contradictionis):
In de verwondering wordt het zo-zijn van de dingen met stelligheid bevestigd [dit is m.i. het fenomeen van (subjectieve) evidentie zoals ik dat in onder meer de voornoemde blognotitie heb beschouwd; cf. Louk Fleischhackers 'iets in zijn eigen zijn bevestigen', hetgeen volgens hem noodzakelijk non-contradictoir is omdat je anders niet bedoelt (spreekt over wat je ervaart als zich voordoende) wat je zegt te bedoelen, dus wartaal uitslaat of je gehoor opzettelijk op het verkeerde been zet; K]. Dat is een duidelijk te onderscheiden moment in dit gebeuren. Ik sta in verwondering stil, omdat iets zo is, zo en op dit moment niet anders [merk Verhoevens metafoor 'stilstaan' op; kennelijk is er eerst een beweeglijkheid of verandering, die op een bepaald moment leidt tot een tijdelijk stilstaan van de beschouwer, dus, lijkt mij, ook van het beschouwde]. Juist het duidelijk [cf. 'evidente'; K] naar voren tredende zo-zijn lokt de verwondering uit. Het treedt dus naar voren: het was op de achtergrond [maakte deel uit van de stroom van de wereld, de rivier van Herakleitos; K]. Er is beweging die tot verwondering leidt. Het naar voren treden van het zo-zijn is niet meer dan een moment [van 'stilstaan', zowel van de beschouwer als het beschouwde, die als het ware één(*) zijn in de evidentie, die eigenlijk altijd verwonderlijk is, al lijkt ze na verloop van tijd vaak triviaal; zie een paar zinnen terug; K] in die beweging: het zo-zijn wordt onmiddellijk geplaatst in een kader van mogelijkheden tot anders-zijn.
Ik verwonder mij alleen maar dat iets zo is, omdat het zó anders is dan ik dacht (...). Het zo-zijn is de schok die mij beweegt [nu wordt het wel verwarrend of zelfs contradictoir, want kennelijk sta je tegelijk in verwondering stil (omdat iets zo is en op dit moment niet anders is dan het is - zie hierboven) én beweegt diezelfde verwondering je juist; K]. De verwondering zet het denken in beweging. Die beweging speelt [cf. 'er-zijn en speelruimte'; K] zich af tussen het zo-zijn en het anders-zijn van wat mijn verwondering opwekt. In de verwondering zijn de dingen niet meer wat ze waren [Verhoeven meent m.i. zelfs: '...zijn de dingen niet wat ze zijn' - zie het slot van dit tekstfragment over de mogelijkheid dat A anders is dan A; K]; daarom kan worden gezegd, dat zij hun identiteit verliezen. Identiteit is niet een onveranderlijk gegeven: zij is niet onveranderlijk en zij is niet gegeven; zij is veranderlijk en gemaakt. Alleen door het besluit niet verder te denken krijgen de dingen een schijn-identiteit. Identiteit is maar een moment van stilstand tussen bewegingen in. Zij is er niet zonder de poging waarvan zij een resultaat moet zijn [denk aan een hypothese als een poging - trial and error - de werkelijkheid op formule te brengen zoals zij is of verondersteld wordt te zijn?; K]. Niets is vanzelf identiek. De bepaling in de logica dat A niet tegelijk en onder hetzelfde gezichtspunt iets anders kan zijn dan A, die als een grondregel van het denken geldt, is de grondregel van het niet-denken, het einde van het denken[**]. Zij geldt alleen maar als er niet meer wordt gedacht.
Noten

[*] In verband met de intuïtie van een noem het magische[***] eenheid van beschouwer en beschouwde - subject en object; gedachten / uitspraken / kunstwerken / World 3 et cetera en feiten; vertellersstandpunt en (lezers)wereld; verbeelding en werkelijkheid - in de evidentie, die altijd verwonderlijk is, al zijn we voor dat wonder meestal te afgestompt, zijn deze opmerkingen van J.H. Donner in Harmonie als tegenspraak (De Bezige Bij, 1986, p 51) interessant:
Jaap van Heerden zegt: "Als men bij een paradox ontdekt dat deze berust op een vermenging van niveaus, waarop we kunnen spreken (nu eens over de werkelijkheid, dan weer over zinnen, die de werkelijkheid beschrijven), dan bestaat voor die ontdekking zakelijke steun", waarna hij even verder vaststelt dat het een 'constructiefout' is, die paradoxen doet ontstaan.
Dat zal best zo zijn, maar het eigenaardige van Mulisch' manier van schrijven lag nu juist altijd in die vermenging van niveaus en in feite deed hij nooit anders dan vertellen en intussen vertellen dat hij vertelt. Deze 'constructiefout' is een ambitie, die ook nog wel bij andere schrijvers te vinden is, maar bij hem neemt die altijd het karakter van ironie aan. (...). Mulisch wil de paradox helemaal niet uit de wereld helpen, maar nu juist tegelijk én over de wereld én over zichzelf spreken. Daarvoor is echter iets nodig, dat feit en uitspraak tegelijk is, iets dat tegelijkertijd geheel zich-zelf en toch ook niet-zichzelf zou moeten zijn [cf. Verhoeven hierboven over verwondering en identiteit?; K]. Dat wonder is dan het octaaf. Zo gezien dus nog wel wat anders dan (...) 'metafoor' alleen, ook al beweegt de gedachtegang zich eerder op het morele en kunstzinnige vlak dan op het strikt logische.
Over iets dat tegelijkertijd zich-zelf en toch ook niet-zichzelf zou moeten zijn: mijn intuïtie, zoals inmiddels verspreid over verschillende blognotities (de links staan helemaal hieronder) uitgewerkt, is dus dat dit aan het licht treedt in het gebeuren van de (verwonderlijke) evidentie, waarbij een ding zowel in zijn eigen zijn (zijn identiteit) wordt bevestigd, als dat het - zie Verhoevens betoog hierboven - juist iets blijkt te zijn dat anders is dan gedacht of nauwkeuriger gezegd: anders dan kan worden gedacht, anders dan te denken valt.
De doorgrondende beleving van het octaaf door Mulisch zie ik als een voorbeeld van een evidentiebeleving; een bijzonder prachtig voorbeeld, omdat het element van terugkeer, van
herkend-worden in en als zichzelf, dat mijns inziens in wezen bij elke evidentie aan de orde is, fraai wordt gesymboliseerd en zelfs zintuiglijk vertolkt door de octaaftoon waarin de grondtoon wordt herkend als dezelfde toon en toch niet dezelfde. Het octaaf als metafoor van de evidentie. Voor het wonder van het aan zichzelf gelijk zijn én van zichzelf verschillen van de (grond)toon - zie ook Piet Meeuse in de noot [***] hieronder over transcendentie: het vermogen van de mens om van zichzelf te verschillen! - is volgens mij echter geen tweede toon nodig; dat geschiedt au fond al in het als nieuw beluisteren van de (grond)toon zelf.

In het waarnemen van een ding, bevestig ik het ding in zijn eigen zijn en het bevestigt mij in mijn zijn - ik ben het en het is mij of vollediger: ik als bewustzijn van het ding ben de overeenkomst én het verschil van een ding met zichzelf (niet op de laatste plaats tussen mijzelf en ik of tussen mijzelf en mijzelf - ik ben mezelf tenminste mede door van mezelf te verschillen, cf. Sartre's
La transcendence de l'Ego). Dat geeft een bepaalde openheid in de identiteit, die verandering en ontwikkeling ('beweging') mogelijk maakt (cf. Thich Nhat Hanh over vorm en leegte). Bewustzijn is altijd bewustzijn van iets zoals het is en tegelijk van de mogelijkheid dat het anders is; of in elk geval is het bewustzijn van iets het gelijktijdige besef dat iets veel méér is?

Of analyseert Louk Fleischhacker in Harmonie en tegenspraak, p. 213, het principe van de niet-tegenspraak zodanig adequaat dat de alinea hierboven (en veel van het beweerde daaromtrent) bij nader inzien onnauwkeurig moet blijken, op de keper beschouwd een woordspel?

Je kunt in elk geval psychologisch gezien (ongeacht de wellicht fysieke onmogelijkheid bewust twee dingen exact tegelijk te doen, te denken of te voelen) niet tegelijk en met betrekking tot dezelfde zaak / in hetzelfde opzicht - let op de metaforen - iets bevestigen en het op losse schroeven zetten, vaststellen en ondergraven, verzekeren en in twijfel trekken; iets bedoelen en lukraak opperen, iets bepaalds zeggen en erop los praten, tot stand brengen en omgooien; ergens voor staan en het verwerpen, iets (onder)steunen en het laten vallen, iets vatten en in het duister tasten, begrijpen en er een slag naar slaan; je iets realiseren en geen idee hebben, weten wat je zegt en orakelen, serieus en ironisch zijn, creëren en bekritiseren. Tenzij je niet meent of beseft wat je zegt of doet, een oplichter bent, een grappenmaker of een warhoofd - of wordt gedwongen onwaarachtig te zijn. Kortom: iemand bent met een dubbele agenda, verborgen bedoelingen, sprekend met twee (of meer) tongen, die iets in zijn schild voert enzovoort - dus vrijwillig of onvrijwillig niveaus, zinvol onderscheidbare sferen van de werkelijkheid door elkaar haalt.
De tijd mag dan leren dat oude zekerheden worden ondermijnd (denk weer aan de hypothesen à la Popper), dat betekent niet dat een bewering of theorie tegelijk waar en onwaar kan zijn in hetzelfde opzicht / met betrekking tot dezelfde toedracht? Losse flodder: maar wat betekent het en wat bedoel je als je zegt: 'mogelijk is X het geval' en dus impliciet 'en mogelijk ook niet'? - verband met potentie en akt bij Aristoteles? (wiens begrippenpaar energeia & entelécheia het 'zijn in beweging' of 'zijn in verandering' aanduidt).

Denk ook aan Socrates: 'Ik weet dat ik niet weet' - de paradoxale uitspraak die voor velen het paradigma is geworden van waarlijk filosoferen ook in de zin van het soms riskante ondermijnen van oude zekerheden (wat Socrates z'n leven kostte)
of voor de houding van een echte filosoof. En aan Multatuli's nauwkeurige en geestige: 'Misschien is niets geheel waar, en zelfs dàt niet' (Ideeën I, nummer 1). Zie hier voor meer leuke voorbeelden van paradoxale beweringen (en hier in het Engels).

Opnieuw of... belichaamt de evidentie precies de oerparadox? Is in de beaming meteen al twijfel aan de orde? Zo psychologisch opgevat is zulks onmogelijk, dunkt me - hoe snel de ervaring van onzekerheid ook kan volgen op die van zekerheid. But then again... is fundamentele ironie nou net de manier om het weten met een korrel zout te nemen of uit te stellen, in de geest van bovenstaande beschouwing van Verhoeven, of is het de doodsteek voor de mogelijkheid van het überhaupt iets werkelijk bedoelen (ondubbelzinnig een bepaalde toedracht aankaarten) en daaromtrent het een en ander weten en uitspreken?[****] Ik neig naar de laatste typering.

En toch houdt de evidentie iets geheimzinnig-paradoxaals in een of meer van de volgende opzichten:
- het blijken te zijn van iets in verandering (in wording);
- en wel dat iets is wat het is en tegelijk ook niet (alleen) wat het is;
- bij wijze van ondenkbare eenheid van subject, object en intersubjectiviteit[******/b],
van individueel en gedeeld bewustzijn en realititeit;
- als zekerheid (klaarblijkelijkheid) die in eerste of laatste instantie onbewijsbaar (onaantoonbaar) is;
- dus als zekerheid die geen zekerheid is - en vaak genoeg ook geen zekerheid blijkt te zijn geweest.

We zullen het moeten doen met relatieve zekerheid - van beweringen met een betere onderbouwing dan minder zekere beweringen. Wat dat ook precies moge zijn, want hoe weet je (relatief) zeker wat de betere onderbouwing is et cetera?

Is elk ding een metafoor van zichzelf? Onzinnige frase: een metafoor is altijd een metafoor van iets anders, een ding of fenomeen, waarbij dat ding of fenomeen herkend wordt in de metafoor en je misschien zelfs kunt zeggen: herkend als zichzelf en tegelijk in een zodanig nieuw licht verschijnend dat het veranderd is terwijl het toch hetzelfde is gebleven.
Raker is mogelijk: elk ding is een metamorfose van zichzelf. Meta-morf: zijn eigen vorm overstijgend, waarbij een vraag (zie ook over het filosofisch idealisme hieronder) is of het daarbij is aangewezen op bewustzijn - of het helemaal samenvalt met zichzelf (cf. Sartre's en-soi) voor zover er geen bewustzijn van het ding is (maar die absolute identiteit is dan letterlijk ongekend en inderdaad, zie weer Sartre, daardoor behoorlijk griezelig).

Mijn waarnemen van en denken over een ding komt zeer wel mogelijk overeen met het ding zelf - behoort in zekere zin tot het ding zelf, zie mijn blognotitie Het glinsterpad der dingen -, maar schiet tevens en tegelijkertijd tekort. Plato dacht zich de voltooiing van de beweging van het toenemende zicht op de ware aard der dingen als de idee van het goede (christenen zouden zeggen: van God) als culminatie van een transcendente sfeer van onvergankelijke ideeën. Overigens is het belangrijk te beseffen, dat het inzicht dat mijn kennisname van en kennis over een ding altijd onvoltooid en onvolkomen is, niet betekent dat het ding radicaal anders is dan wat ik denk dat het is - i.e. dat het eigenlijk niet is wat ik denk. Iets gedeeltelijk of (slechts) in bepaalde opzichten kennen impliceert geenszins het niet kennen!
Zie ook het slot van de laatste noot bij mijn blognotitie Apenstaartje, systeemgat en menselijk bewustzijn.
 

[**] Getuige de laatste zinnen van dit citaat moet Verhoeven zich behoorlijk hebben herkend in de visie van Harry Mulisch op het principe van de niet-tegenspraak in De compositie van de wereld. Jammer dat zijn bespreking van dat boek, in de bundel Harmonie als tegenspraak, desalniettemin nogal badinerend is. Ik meen omdat Verhoeven het wil houden bij het blijven denken en wars is van het formuleren van nieuwe identiteiten in een systeem, een wereldhypothese. Maar is denken dat pertinent geen positieve (substantiële) beweringen wil doen, op den duur niet erg vrijblijvend of zelfs leeg - en een beetje saai?

[***] Magie:
...al die handelingen waardoor de mens macht tracht uit te oefenen op krachten die hij in de wereld (de natuur) tegenover zich vindt (bezweringen et cetera)' - volgens deze algemene definitie in de Van Dale valt dus ook wetenschapsbeoefening onder magie, maar dit terzijde; veel verhalen hebben van oudsher onder meer een bezwerende functie gehad, bijvoorbeeld van angsten en van gevoelens van onzekerheid, onbegrijpelijkheid of radeloze impulsiviteit. Lezen is volgens Piet Meeuse (in De jacht op Proteus, De Bezige Bij 1992, p. 28) een 'milde vorm van betovering.
Treffend merkt hij op:
'En wat voor het lezen (en het schrijven) van verhalen geldt, gold al veel langer voor het vertellen en beluisteren van een verhaal: het is misschien wel de oudste vorm van geestelijke activiteit, en het eigenaardige ervan is dat het zich weliswaar hier en nu afspeelt, maar dat het je tegelijkertijd verplaatst in een andere wereld.
Dit vermogen tot transcenderen (want dat is het: het overschrijden van je eigen grenzen in ruimte en tijd, het vertoeven in een imaginaire wereld) is ongetwijfeld het wonderlijkste vermogen waarover mensen beschikken. Het is het vermogen om van jezelf te verschillen en de fysieke beperkingen van ruimte en tijd op te heffen - in taal.
Dat aan dat vermogen oorspronkelijk een magische kracht werd toegekend, en een religieuze betekenis, ligt voor de hand: het verhaal in zijn oudste vorm, de mythe [in de vroege filosofie, het denken dat juist loskwam van de bevangenheid door oude mythen, introduceerde Plato nota bene opnieuw een - kentheoretische - mythe, die van de grot, de zintuiglijk waarneembare wereld als schaduw van de oorspronkelijke werkelijkheid; K], genoot de onaantastbare autoriteit van een openbaring, en het vertellen, of beter: het reciteren ervan was dan ook een sacrale, rituele handeling. En een collectieve aangelegenheid.
In de mythe was de transcendente ruimte van het verhaal het domein van 'hogere machten' - gestorven voorouders, goden of demonen - en die wereld werd als absoluut reëel ervaren omdat ze werd begrepen als de oorsprong en derhalve de oorzaak en de verklaring van de actuele wereld waarin men leefde. In mythische tijden [maar denk dus ook aan het platonisme!; K] bezat het verhaal dus in wezen een hoger werkelijkheidsgehalte dan de feitelijke realiteit, want die laatste werd er uit afgeleid en erdoor gelegitimeerd. (En voor zover onze verklaringen nog altijd de causale structuur van een verhaal bezitten is dat eigenlijk nog steeds zo...).
(...) In de literatuur krijgt het transcenderen geleidelijk het karakter van een spel (...).
(...) uit (...) het verplichtende, collectieve geloof [werd] het spel van de vrije geest geboren.
(...) Geen wonder dat die geest zich bij tijd en wijle ook behoorlijk overschatte. Hij is maar al te geneigd, te vergeten dat hij uit de leerschool van het verhaal voortkwam, en het heeft lang geduurd voordat filosofen wilden inzien dat de kernproblemen van hun discipline te herleiden zijn tot dat transcenderende karakter van de taal. Want of een mens nu over de wereld nadenkt in streng afgebakende begrippen, of zich laat leiden door zijn verbeelding - dat alles speelt zich onveranderlijk af in die transcendente, imaginaire ruimte die hij zelf schept. En heilig of profaan, de handeling van het actualiseren van een imaginaire wereld, het zich verplaatsen in de wereld van woorden en betekenissen, blijft dezelfde. De verleiding om die wereld te verwarren met de materiële wereld blijft groot. Die verwarring is misschien zelfs onvermijdelijk [volgens Mulisch: K]. Want hoe je het ook wendt of keert - wie denkt, transcendeert: zelfs de radicaalste scepticus hanteert de illusies die hij verwerpt; ook hij kan niet buiten zijn geloof in betekenissen. Het is de verdienste van de literatuur dat ze van dat geloof een licht geloof heeft weten te maken, het geloof van een wendbare geest die de zwaartekracht van de heilige overtuiging weet op te heffen met twijfel en ironie. Een manier om axioma's [cf. de 'eerste beginselen' die ter sprake komen in het interview met Cohen hierboven; K] om te zetten in hypothesen. En dus een manier om na te denken [cf. Verhoeven hierboven; K] over de werkelijke wereld.
Knappe uiteenzetting! Joris Cohen zal echter benadrukken dat de natuurwetenschappelijke methode fundamenteel meer is dan fantasievolle en gedurfde verhalen vertellen, namelijk een combinatie behelst van verbeelding en strenge toetsing achteraf. Meeuse stelt:
...of een mens nu over de wereld nadenkt in streng afgebakende begrippen, of zich laat leiden door zijn verbeelding - dat alles speelt zich onveranderlijk af in die transcendente, imaginaire ruimte die hij zelf schept.
Beperkt tot het denken klopt dat, maar het 'streng afbakenen' - of 'vastnagelen', om de term van Cohen te gebruiken - van wat je denkt en beweert in de vorm van nauwkeurige en toetsbare theorieën en modellen, blijft niet beperkt tot een schimmige ruimte die de mens zelf schept, maar ontwikkelt en verfijnt zich door middel van intersubjectief herhaalbare en op den duur steeds beter voorspelbare feedback van de voor iedereen toegankelijke - hoewel: hoe toegankelijk is de werkelijkheid van een deeltjesversneller... in principe toegankelijk voor iedere (zich terzake bekwamende) mens - materiële wereld door middel van experimenten en toepassingen. De menselijke geest is wellicht niet alleen geboren uit het vertellen van verhalen, maar ook uit de soms pijnlijke confrontatie, dan weer vruchtbare wisselwerking[*****] met de materiële wereld. Dat is de meest plausibele zienswijze, tenzij je de positie van een filosofisch idealisme inneemt, waarbij - hoezeer de aanhangers zich ook moeite geven een en ander precies te verduidelijken - au fond als axioma, als eerste beginsel, als evidentie geldt dat de materiële werkelijkheid is aangewezen op de menselijk geest - daar niet onafhankelijk en los van is wat zij is. 

[****] Cf. S.J. Doorman in Harmonie als tegenspraak, p. 98:
In het boek K van zijn Metafysica zegt [Aristoteles] ongeveer het volgende: Stel dat twee mensen willen debatteren over een bewering p. Op zijn minst zullen we elkaars uitdrukkingen in hun betekenis moeten begrijpen; de woorden, die de beide debatpartners gebruiken om hun opvattingen uit te drukken dienen derhalve een ondubbelzinnige betekenis te hebben. En in zoverre de gehanteerde uitdrukkingen (...) meerduidig zijn dient de gebruiker aan te geven welke betekenis in het debat van toepassing is. Dan komt Aristoteles met zijn pointe: diegene die zegt dit is en is niet ontkent wat hij stelt! Anders gezegd: ieder [zinnig; K] debat over p vooronderstelt dat één partij p verdedigt, terwijl de ander partij (de opponent) p aanvalt [en niet voor de grap, op ironische wijze, maar vanuit een werkelijk menen dat p waar is of (voor de opponent) onwaar is? Maar je kunt toch 'advocaat van de duivel' spelen? Dan meen je in die rol wat je zegt, maar in werkelijkheid meen je het niet; maar wat is hier werkelijkheid: kan het debat een werkelijk debat zijn hoewel een of beide deelnemers een onwerkelijk standpunt innemen? Verder lijkt het me maar de vraag of waarheidsvinding noodzakelijk de vorm van een debat heeft; K]. (...) Het beginsel van de niet-tegenspraak (niet zijn p en niet-p beide waar) drukt de mogelijkheid van het debat uit. (...) Wie, zoals ik, het debat ziet als enige mogelijkheid om aan gezagsargumenten te ontkomen [dit is kwestieus, zie ook de vraag die ik pal hierboven opwerp; K], zal het beginsel van de niet-tegenspraak het anti-autoritaire beginsel bij uitstek moeten noemen.
Toch heeft ook deze parafrase van Aristoteles schijnbaar iets tegenstrijdigs: juist om (uiterlijke) tegenspraak ('debat') mogelijk te maken, kan (innerlijke) tegenspraak niet aan de orde zijn. Lost deze spanning zich helemaal op door het verschil tussen uiterlijke - de onverenigbare visies verdedigende debaters - en innerlijke - logische en ontologische - tegenspraak in te zien? Door het verschil tussen tweespalt en inconsistentie? Het punt is waarschijnlijk dat de zienswijze 'het is zowel mogelijk dat de verdediger gelijk heeft als mogelijk dat de opponent gelijk heeft' iets anders is dan de zienswijze: 'het is mogelijk dat zowel de verdediger als de opponent gelijk hebben' (steeds dus terwijl de verdediger beweert dat p waar is en de opponent beweert dat niet-p waar is).
Of het zit nog dieper en simpeler: 'p kan waar zijn en niet-p kan waar zijn' - welbeschouwd een platitude, een vanzelfsprekendheid, of juist de meest fundamentele mogelijkheidsvoorwaarde van een kwestie en van navolgend onderzoek en debat? - is niet hetzelfde als 'p is waar en niet-p is waar'; de eerste bewering betreft mogelijkheden en vormt in een situatie van onzekerheid geen denkfout noch voert het dan tot verwarring of misleiding; in geval van een evidentie X - klaarblijkelijke waarheid, zekerheid, dat X het geval is of zus-en-zo is - is het echter noodzakelijk onwaar te zeggen dat X (zo) is en niet (zo) is - maar ja, dat is ook nogal wiedes, want gezien de aanname van een evidentie vooronderstel je dat dit onwaar is, in zoverre een evidentie volgens jou inhoudt dat het blijkende (X) niet niet kan blijken? Maar wat als het nu (voor iemand zoals Mulisch) juist een evidentie is dat X wel en niet het geval is of zus-en-zo is of abstracter dat het mogelijk is dat iets wel en niet het geval is of zus-en-zo is? Als het nu juist een evidentie is dat p en niet-p tegelijk en in hetzelfde opzicht waar en niet waar (of het geval) kunnen zijn? 'Maar zo'n evidentie is onmogelijk!', roepen Aristoteles en zijn geestverwanten. 'Toch bestaat-ie, hij doet zich bij mij voor!', antwoorden Mulisch c.s. Geeft uiteindelijk niets anders de doorslag als globale consensus onder intelligente personen, of vormt dit althans een pragmatische richtlijn? Maar wat betekent dat precies - 'doorslag' en 'pragmatische richtlijn'? Zie ook wat ik eerder schreef over het kennelijke voorbijgaan aan het intersubjectieve aspect van evidentie door Mulisch.
Raken we hier en passant aan een wezenlijk onderscheid tussen ontologische en logische contradictie? Als niemand weet of het nu op een bepaalde plaats in het regenwoud regent, is het mogelijk dat het er nu regent en mogelijk dat het er nu niet regent - althans ik kan dat zeggen en die uitspraak kan waar zijn, bevat geen logische contradictie. Maar wat als het er regent, terwijl we dat niet weten? Dan is het toch niet mogelijk dat het er niet regent? Ja, als...


Ook Maarten 't Hart, wiens bijdrage over Popper en vooral over Mozarts veelvuldige gebruik van het octaaf (zo licht 't Hart uit dat de kernmelodie van de vreeswekkende zang van de Commendatore in Don Giovanni gewoon bestaat uit toonladders - de achtereenvolgende noten van opgaande en weer neergaande octaven -, wat een tijdgenoot van Mozart in de pen gaf: 'Mozart lijkt de taal van de geesten van Shakespeare te hebben afgekeken ') misschien wel het leukste stuk van Harmonie als tegenspraak is, benadrukt (op p. 61-62) met deels andere argumenten de betekenis van het principe van non-contradictie voor het proces van kritische toetsing en daarmee de (mogelijkheid van) vergroting van onze kennis. Evenals Johan van Benthem dat doet (p. 227).
H
et punt is misschien, dat Mulisch dit wat betreft wetenschappelijke kennis net zo ziet en hij zijn principium adversationes - beginsel van de tegenspraak - alleen ter aanvulling van dat gebied hanteert, om een overkoepelende visie en zelfs formule ('codex') van het wereldproces te ontwikkelen. En het is ook op de universiteiten nog steeds een respectabele filosofische stellingname om de wetenschappelijke methode niet als de meest fundamentele vorm van weet hebben van de wereld te zien - met name te spreken over de mogelijkheidsvoorwaarden van de wetenschappelijke methode die buiten het bereik van die methode zelf zouden liggen: de kwestie dat je wetenschappelijkerwijs per definitie niet verder kunt komen dan: 'volgens de criteria van de wetenschappelijke methode is dit het geval', waarbij die criteria zelf niet gefundeerd kunnen worden op wetenschappelijke wijze, want ze zijn daarbij juist voorondersteld - dus vragen rond de sceptische positie zoals bijvoorbeeld vereenvoudigd geanalyseerd door Ajdukiewicz in zijn inleiding in de filosofie Problems & Theories of Philosophy (Cambridge University Press 1973, p. 18). 

[*****] Van Francis Bacon (1561-1626) kennen we de mooie - en paradoxale - uitspraak:
Natura non vincitur nisi parendo (de natuur kan men alleen overwinnen door eraan te gehoorzamen).
Deze paradox vertolkt zonder dat dit Bacons bedoeling was (hij was immers gelovig) tevens het duizelingwekkende gegeven, dat als de mens een deel van de natuur is, de natuur via het onderzoek door de mens zichzelf doorvorst - zowel subject al object is van haar ontdekkingen, wat bijzonder direct speelt bij het hersenonderzoek. En als je de uitspraak op de spits drijft tot: 'door de natuur te overwinnen, wordt de mens door haar overwonnen', heb je kort door de bocht een kernidee van Mulisch' De compositie van de wereld te pakken (Mulisch zelf stelt dat de mens door de geest - in de vorm van de artefacten - overwonnen zal zijn, waarbij de mensen een soort cellen in het superlichaam zijn dat die geest schraagt).
Het verhaal dat Bacon het ideologische beeld zou hebben uitgedragen dat de natuur een vrouw is die gemarteld moet worden om haar geheimen te ontfutselen, schijnt een wel erg negatieve interpretatie te zijn van wat hij heeft geschreven (zie ook hier):

For you have but to hound nature in her wanderings, and you will be able when you like to lead and drive her afterwards to the same place again. Neither ought a man to make scruple of entering and penetrating into those holes and corners when the inquisition of truth is his whole object.
Je zou moeten bestuderen of 'entering' en 'penetrating' en 'hole(s)' in het vocabulaire van Bacons tijd een onmiskenbaar seksuele connotatie hadden; en of 'inquisition' in de context van deze zin wel bedoeld moet zijn om mede te verwijzen naar de kerkelijke inquisitie (die onder meer ketters vervolgde die verkondigden dat Jezus - de waarheid, de weg en het leven - niet aan het kruis was genageld, maar dit alleen als grappig terzijde). Wel lees je hieraan af dat Bacon waarschijnlijk een trek had die strookt met wat Joris Cohen in bovenstaand interview over zijn boek over Isaac Newton noemt: het 'vastnagelen' van de waarheid.
Een ander citaat van deze filosoof en grondlegger van de natuurwetenschap:

The job of the artist is to deepen the mystery (cf. Mulisch' adagium: 'het raadsel vergroten').
In hoeverre Bacon juist niet of toch wel degelijk aan de verbeelding een belangrijke rol toekende bij het vergroten van onze kennis, schijnt geen uitgemaakte zaak te zijn onder historici en (wetenschaps)filosofen (zie ook dit zoekresultaat). Het in geschrifte downplayen van de betekenis van de verbeelding maar de facto van diezelfde verbeelding danig gebruik maken, blijkt overigens zeer wel mogelijk, althans getuige Joris Cohens bovenstaande opmerkingen over Newton en diens spreuk hypotheses non fingur.

Ook mooi van Bacon is:

Our humanity is a poor thing, except for the divinity that stirs within us.
en:
The fly sat upon the axle tree of the chariot wheel, and said, What dust do I raise.
Dit doet me denken aan het door Mulisch geschetste lot van de mens bij wat in zijn terminologie de volgende octaafsprong of mutatie is van de mensheid:
Omdat artefacten psychische dingen zijn heeft de geest tenslotte gezegevierd over de mens - maar anders dan godsdienstige heilsleren het willen, zal de mens zijn eigen ondergang hebben bewerkstelligd, zoals in de Griekse tragedie.
Een Baconiaanse wijsheid die Mulisch - zijn globaal falsificeerbare toekomstvoorspelling niet te na gesproken - misschien meer ter harte had moeten nemen wat betreft de toetsbaarheid van De compositie:
Truth emerges more readily from error than from confusion.
En tot slot:
Consistency is the foundation of virtue.
En, verrassend:
Science is but an image of the truth.
Zeker in het licht van:
Natural philosophy is (...) impure and corrupted, - by logic in the school of Aristotle; by natural theology in that of Plato; by mathematics in the second school of Plato (that of Proclus and others), which ought rather to terminate natural philosophy than to generate or create it.
[******] Wittgenstein zegt in zijn Opmerkingen over de kleuren:
Dat het de mensen zo toeschijnt, is hun criterium ervoor dat het zo is.
Zie ook dit artikel in Filosofie Magazine:
"Zekerheid", zo legt de Antwerpse filosoof en Wittgenstein-kenner Walter Van Herck uit, "is voor Wittgenstein een soort achtergrond. Zonder dat wij ons daarvan bewust zijn, nemen wij van alles voor waar aan. En dat moet ook, want pas tegen die achtergrond kunnen dingen op de voorgrond treden, dingen die wij bewust weten. Dus tegen de achtergrond van zekerheden, bijvoorbeeld de autoriteit van een schoolsysteem en leraren, kunnen wij dingen weten. Natuurlijk hangt het van de situatie af wat zeker is, en wat we weten. Je kunt geen verzameling van waarheden vastleggen die allemaal altijd zeker zijn." Op dat laatste punt zette Wittgenstein zich nadrukkelijk af tegen zijn leermeester, de Britse filosoof George Edward Moore (1873-1958). Volgens Moore zijn er dingen waaraan we niet hoeven twijfelen, die we domweg zeker weten.
Trouwens, Van Hercks weergave van de opvatting van Wittgenstein leidt tot een paradox, want als je geen enkele verzameling kunt vastleggen van waarheden die altijd zeker zijn, kan je dan wel de verzameling van één waarheid vastleggen - te weten: 'je kunt geen enkele verzameling van waarheden vastleggen die altijd zeker zijn?' - die wél altijd zeker is? Je belandt in een knoop die een soort spiegelbeeldige tegenpool lijkt van de leugenaarsparadox en/of stuit op een probleem waarmee ook de stelling van Gödel is gemoeid, wellicht.
Natuurlijk zou ik Wittgensteins Over zekerheid ( Amsterdam, Boom Meppel, 1977 / 1969) moeten lezen. Maar ik schrik ervoor terug, omdat ik de Tractatus volslagen onbegrijpelijk vond, toen ik er in de jaren tachtig probeerde door te komen.


[******/b] Toevoeging januari 2012: Doel ik inzake 'evidentie' op hetzelfde als waar het Heidegger om gaat bij: 'De vraag naar de "zin", dit wil zeggen naar de verklaring in Sein und Zeit, de vraag naar het gronden van het ontwerpbereik, kort gezegd naar de waarheid van het Seyn is en blijft mijn vraag en is mijn enige, want zij betreft ook het meest unieke' (Beiträge zur Philosophie, pagina 10, vertaling door Kristien Justaert - foto rechtsboven, bibliografie hier - in haar boeiende verhandeling De laatste god).
Volgens D. Vallega-Neu beschouwt Heidegger 'waarheid als een gebeuren van onthulling en terugtrekking, waarheid als ontbergende verborgenheid' (zie weer De laatste god).
Heidegger schrijft in de inleiding van Wat is Metafysica?:

Het Zijn wordt in zijn ontbergend wezen, dat wil zeggen in zijn waarheid, niet gedacht. Toch spreekt de metafysica, als zij haar antwoorden geeft op haar eigen vraag naar het zijnde als zodanig, juist uit het gebeuren, dat het Zijn zich openbaart, al slaat zij op deze gebeurtenis geen acht. Daarom kan nu de waarheid van het Zijn de grond heten, waarin de metafysica – die wortel van de boom der filosofie – haar houvast vindt en waaruit zij wordt gevoed (zie weer De laatste god).
Kristien Justaert legt uit:
De moeilijkheid ligt onder meer hierin dat de vraag naar het wezen van de waarheid in de traditie van de westerse metafysica [...] verborgen geraakt is. Deze metafysica komt immers voort uit het ‘ik’[^], het bewustzijn van de mens, van waaruit de omringende wereld als een object bestudeerd wordt. [Heidegger:] “Wat dit denken denkt, is de zuivere objectiviteit, die uit de subjectiviteit van het zuivere zelfbewustzijn ontspringt”. De waarheidsvraag zelf wordt niet gesteld, omdat men bij het denken juist vertrekt van de zekerheid van het ‘ik’, dat het mogelijk maakt de wereld buiten dit ‘ik’ op een betrouwbare manier te onderzoeken en te begrijpen. Omwille van deze objectivistische en subjectivistische vooronderstellingen wordt de vraag naar de verhouding van de mens tot de waarheid in de westerse metafysica nooit gesteld. Hieruit ontspringen nood en noodzaak om de overgang te maken naar de andere aanvang.'
In Beiträge zur Philophie schrijft Heidegger verder:

Das ‘Seyn’ ist nicht eine Gemächte des ‘Subjekts’, sondern das Da-sein als überwindung alles subjektivität entspringt der Wesung des Seyns.
[^] Dit geldt zoals bekend in zeer verstrekkende mate voor het 'Je pense' van Descartes in zijn Discours de la méthode (1637). Hij wordt door velen gezien als de grondlegger van het precieze en succesvolle wiskundig-voorstellende denken van de werkelijkheid. Bij de (tot mijn schande vluchtige) kennisname van deze tekst, jaren geleden, viel het me op dat Descartes schijnbaar merkwaardig achteloos schakelt tussen 'ik' en 'wij' en dat hij 'evidentie' verbindt met 'God' als bron van inzicht (zie bijvoorbeeld hier over de Meditationes de prima philosophia (1641):
God’s non-deceiving nature also serves to guarantee the truth of all clear and distinct ideas [...] This is what is known as the “Cartesian Circle,” because Descartes’ reasoning seems to go in a circle in that he needs God’s existence for the absolute certainty of the earlier truths and yet he needs the absolute certainty of these earlier truths to demonstrate God’s existence with absolute certainty.)
Eerder in deze blognotitie is misschien duidelijk geworden dat 'evidentie' naar haar aard 'circulair' is - men kan de 'grond' van waarheid niet eindeloos blijven gronden - en dat dus welbeschouwd elke zogenaamde 'zekerheid' uiteindelijk een - soms bloemrijke, soms verzwegen - cirkel-'redenering' behelst (zoals ook Leszek Kolakowski meent).

In Vom Wesen der Wahrheit zegt Heidegger:

De onwaarheid moet veeleer uit het wezen van de waarheid komen. Slechts omdat waarheid en onwaarheid wezenlijk niet onverschillig tegenover elkaar staan maar samen horen, kan überhaupt een waar oordeel in een scherpe oppositie tot het overeenkomstige onware oordeel geraken.
Kortom, in Aλήθεια zit ληθη, vat Kristien Justaert samen.

Dit doet denken aan wat Harry Mulisch zegt in De compositie van de Wereld naar aanleiding van de bekende logische wet: 'p & niet-p' is noodzakelijk onwaar. Mulisch merkt op dat dit vaak wordt geschreven als 'niet-(p & niet-p)'; maar dan, stelt hij, moet 'p & niet-p' toch niet onzinnig, i.e. ondenkbaar zijn, zoals Aristoteles beweert. Maar het lijkt erop dat Mulisch hier de - zinvolle - structuur van de zin (bewering, propositie) 'p en niet-p' verwart met de inhoud van die zin (dat wat die zin beweert).
Zoals Mulisch het voorstelt, zou Aristoteles alleen zinvol kunnen zeggen dat het ondenkbaar is dat iets in hetzelfde opzicht en tegelijkertijd het geval is én niet het geval is, als 'iets is in hetzelfde opzicht en tegelijkertijd het geval en niet het geval' waar zou kunnen zijn; maar dat hoeft niet: je kunt er juist - volgens velen met de kracht van een evidentie - over zeggen dat het niet waar kan zijn.

In Sein und Zeit heet het:

De relatie van overeenstemming [tussen uitspraak en werkelijkheid; K] moet [...] in de fenomenale samenhang van het ‘blijken’ zichtbaar worden. [...] Het waar-zijn (waarheid) van de uitspraak moeten we begrijpen als ontdekkend-zijn [ cursivering door mij; K].
Eveneens in Vom Wesen der Wahrheit staat:
Het erzijn bewaart, voorzover het ek-sisteert, de eerste en ruimste on-ontborgenheid, de eigenlijke on-waarheid. [...] De verborgenheid van het zijnde in zijn geheel, de eigenlijke on-waarheid, is ouder dan iedere openbaarheid van dit of dat zijnde [cursivering door mij; K].
Hierboven, lang voordat ik dit van Heidegger had gelezen, merkte ik op: 'Iets gedeeltelijk of (slechts) in bepaalde opzichten kennen impliceert geenszins het niet kennen!'

Wel leuk dat ik op eigen kracht tot enigszins vergelijkbare inzichten ben gekomen als Heidegger in Beiträge zur Philosophie (vom Ereignis) - in deze blognotitie en in 'Kladgedachten bij Pirsigs Lila' en 'Apenstaartje, systeemgat en menselijk bewustzijn; zie ook 'Overéénkomst'.


Heidegger stelt in Sein und Zeit dat het 'er-zijn' de zijnden 'laat zijn'[#]. Hoe vaag is dit? Heeft Sartre hiertoe gerekend: eigenmachtig, desnoods met geweld, van je vrijheid gebruik maken om een door jou gewenste toestand te laten intreden? (ik meen van wel). De latere Heidegger benadrukt dat hij het juist niet subjectivistisch en/of als een 'ingrijpen' had bedoeld. Maar waar ligt de grens tussen 'laten zijn' en 'eigenmachtig veranderen' of 'maken' - en voert het laatste noodzakelijk tot het je ontgaan van de waarheid en tot het 'vergeten' van het zijn? Is het criterium wellicht 'ego-loosheid' (vergelijk de Oosterse filosofie)? On-zelf-zuchtigheid?
Goed. Maar hoezo is het zaaien en oogsten naar zijn aard onzelfzuchtig en 'ontbergend' en het ontrafelend onderzoeken van de natuur en/of het toepassen van de verworven kennis noodzakelijk egoïstisch, manipulatief en een vergeten van het zijn? Is het omzetten van bijvoorbeeld bos in landbouwgrond niet al een stap van het 'gelaten, bessen plukkend, laten zijn' van de natuur, naar een handelen vanuit maakbaarheidsdenken, waarbij de grond wordt 'gedwongen' tot het leveren van hogere opbrengsten? En kan men onmogelijk een integere onderzoeker zijn, die bijvoorbeeld de geneeskunde vooruit helpt met zijn experimenten, misschien zelfs dierproeven binnen bepaalde randvoorwaarden? Is het onderzoek met deeltjesversnellers inherent geen 'luisteren' naar de natuur, maar het 'kapotschieten' en 'onteigenen' ervan? Maar zuiver onderzoek van de natuur is toch belangelozer dan bijvoorbeeld roofbouw op de natuur, zelfs dan het draaien van een groot boerenbedrijf?
Vragen, vragen... - geen wonder dat kentheoretische en ethische discussies op talloze terreinen zich eindeloos blijven ontwikkelen. De wijze raad van Heidegger lijkt inzake vele keuzen te abstract om een afdoende richtsnoer te verschaffen.

[#] Toevoeging 21 januari 2012: Weliswaar spreekt Heidegger in elk geval in Beiträge zur Philosophie ook over 'bergen' en 'bouwen', maar (onder het voorbehoud dat ik veel te weinig kennis van zaken heb) zo mogelijk in nog abstracter termen dan over 'laten zijn'. In een sub-noot[###] hieronder kwam ik - nog voor ik het slot van Kristien Justaerts scriptie had gelezen - tot een soortgelijke suggestie als welke zij doet, namelijk betreffende het vinden van een gemeenschappelijke grond voor waarachtige communicatie (in het verlengde van haar verhandeling logischerwijze een interreligieuze dialoog, die door - in mijn woorden - de mogelijkheid van het 'gebeuren' van zowel wonderlijke als paradoxale evidenties als 'dwangloze dwang', Heideggeriaans op te vatten als 'wenken' van waarheid en bestemming, om te beginnen kan slagen en vervolgens misschien op concrete punten zal slagen).
Fundamenteel is het verre van duidelijk waar 'begeleiden' overgaat in 'dwingen' (en zelfs niet of dat laatste altijd 'onteigenend' is, denk aan de opvoeding van kinderen); waar 'tot zijn recht laten komen' overgaat in 'toedekken' of 'ontregelen'; dat wil zeggen, in zo algemeen mogelijke termen: waar 'vormen' overgaat in 'vervormen' of zelfs 'misvormen'.
Dit probleem schijnt al helemaal onoplosbaar waar het de houding van de mens betreft tegenover zichzelf als 'zijnde' mens. Nietzsche was bepaald niet de eerste of de laatste die opmerkte dat de mens 'het nog niet vastgestelde dier' is - waarbij Nietzsche's 'nog' overigens opmerkelijk mag heten[##]. Hoe kan je iets 'laten zijn' dat (nog) geen blijvende hoedanigheid bezit of zelfs - als de existentialisten (de mens is wat hij niet is en is niet wat hij is, het ego is transcendent), of de transhumanisten (de mens is bijna eindeloos maakbaar), of bepaalde Oosterse filosofen (de natuur van de mens is leegte) gelijk hebben - principieel 'onvaststelbaar' is? De betreffende 'metamorfose' fatalistisch op zijn beloop laten? Maar het is ook nog eens de mens zelf die zichzelf als zijnde zou moeten of tenminste zou kunnen 'laten zijn' - Heideggeriaans geredeneerd. Echter: hoe kan het 'subject' zichzelf 'laten zijn' als object. Niet dus, zegt ook Heidegger: vandaar zijn benadrukken van het overwinnen van het subject zijn (en dus van de scheiding van subject en object).
Mooi. Maar wat betekent 'laten' in 'laten zijn' als er geen subject in het spel is? - je belandt zo in paradoxen, waarvan bijvoorbeeld de zen-literatuur getuigt - met als (opnieuw duistere en inzoverre men onophoudelijk is blijven doordenken paradoxale) strekking, dat je er denkend geenszins uitkomt: dat de 'ontwaaktheid', 'verlichting' of 'bevrijding' voorbij het denken ligt - de bekende 'vinger naar de maan, maar niet de maan zelf'... vergelijk Heideggers herhaaldelijke verklaren dat zijn denken slechts 'aanwijzend' is? Maar stelt de analogie met fysiek iets aanwijzen het niet nog te florissant voor? Kan je het misschien, helaas, beter vergelijken met het proberen uit te leggen aan een blinde wat 'zien' is? En is het wel zo zeker dat het vermeende diepe inzicht zelf geen vorm van verblinding is (door dichte sluiers van gedachten)? Een verwant lastig punt is, of Heidegger miskent dat essentiële 'vormen van weten' niet primair met het denken te maken hebben, maar met het gevoel (het 'hart' inzake medeleven en 'gut feeling' inzake het nemen van goede beslissingen). De lichamelijkheid lijkt zoek in zijn uiteenzettingen omtrent waarheid en goedheid (denk als contrast aan een Merleau-Ponty). Hij meent zelfs dat 'de laatste god' alleen kan verschijnen of althans mens en maatschappij transformerend van zich kan doen spreken, als het denken - zij het ingegeven door die god zelf (mogelijk een cirkelredenering dus) - daartoe ruimte schept. 'Weten' schijnt bij Heidegger de mogelijkheidsvoorwaarde te zijn voor 'weldoen' of 'het goede laten gebeuren' - hetgeen een onjuiste opvatting lijkt, immers ook eenvoudigen van geest kunnen een hart van goud hebben (uiteraard kan je dit om Heideggers kijk te 'redden' recht proberen te breien door het begrip 'waarheid' te verruimen). Denk ook aan de visie van Levinas, die - ik simplificeer - 'het goede doen' juist beschouwt als mogelijkheidsvoorwaarde om (tenminste allerlei belangrijke) waarheden in te zien.
[##] De verklaring van de rechten van de mens is in veler ogen, ook in de mijne, echter een blijk dat er wel degelijk 'wezenlijke hoedanigheden' van de zijnde 'mens' vallen uit te lichten en een aanwijzing voor het ongelijk van Nietzsche en anderen. Een interessante poging tot verdere karakterisering van de mens is het boek Enough, staying human in an engineered age (2003) van Bill McKibben.
Een ander probleem met het 'laten zijn' is uiteraard het zich aan de lopende band voordoen van onenigheid en conflicten tussen mensen (en van situaties van natuurlijke schaarste, dit laat ik hier verder rusten). De 'dwangloze dwang'[###] - frappant genoeg een knots van een paradox dus - van het beste argument, die Jürgen Habermas aan het werk ziet in het hart van de dialoog, voor het bereiken van overeenstemming (waarbij meen ik ook een dialectisch proces van 'synthese' van tegenstellingen wordt verondersteld), blijkt in de praktijk domweg vaak niet op te treden. Dat kan je afdoen als toevallige pech, die de analyse op zich niet weerlegt, maar de vraag is of dit veel helpt, zelfs puur theoretisch gezien. Het is immers geregeld zo dat twee partijen beide heilig overtuigd zijn van hun eigen evidentie, zonder daarbij onoprecht te zijn - zoals we hierboven zagen, is een evidentie geen absoluut baken, en kan pas na geruime tijd uitkristalliseren hoe het zit en of iemand het gelijk aan haar kant had. Ethici kunnen vrij gemakkelijk praktijkvoorbeelden geven waarin het in zulke gevallen evenmin - op 'meta-niveau' - evident is voor alle betrokkenen, dat geen van de partijen dan dwang mag gebruiken om gedaan te krijgen wat haar goed dunkt, noch dat het überhaupt altijd evident is dat dwang, soms zelfs geweld (bijvoorbeeld in de vorm van machtsuitoefening door de staat) geen moreel wenselijke optie is.
[###] Onwillekeurig gaan daarbij de gedachten uit naar Heideggers 'toeroep' van het Seyn en het als het ware onontkoombaar zijn van het 'laten zijn' - dus erkennen en de ruimte geven - van de waarheid (van het zijn) vóór en dóór wie onzelfzuchtig, vragend, luisterend en oprecht 'er-is'. Een gesteldheid en een gebeuren waarmee Heidegger in zijn Beiträge zur Philosophie zelfs de verschijning van 'de laatste god' verbindt maar waarover hij tegelijkertijd zegt dat het maar zeer de vraag is of voldoende mensen er ontvankelijk voor zijn,waarmee een 'andere aanvang' vorm zou krijgen in de geschiedenis[^^]. Misschien valt op dit punt, inzake wat je 'open, geïnspireerde en verlossende communicatie' zou kunnen noemen, een - overigens on-Heideggeriaans concreet - verband te leggen tussen Heideggers 'eerste aanvang', Levinas' 'aangesproken worden door het gelaat van de ander' en Habermas' 'dwangloze dwang van de werkelijke dialoog' (en zelfs Krishnamurti's 'ongeconditioneerde handelen vanuit intens medegevoel').
[^^] Zoals bekend is Heidegger op beschamende en verwerpelijke wijze gezwicht voor het charisma dat Adolf Hitler in zijn ogen kennelijk bezat. Arnold Heumakers merkt in zijn mooie essay De sprong op de bodem (in De Schaduw van de vooruitgang, Querido, 2003) op over een ronkend epistel dat Heidegger in 1933 schreef aan een vriendin: 'De brief [...] laat goed zien dat Heidegger destijds moeiteloos een mix wist te maken van nazi-jargon en Zijnsdenken. Veel Heidegger-bewonderaars begrijpen nog altijd niet goed hoe dat mogelijk is geweest'. Kristien Justaert schrijft in haar proefschrift Transcendentie in immanentie: goddelijke hoogtes en laagtes met Heidegger, Deleuze en Derrida (Garant, 2010):
We kunnen dus besluiten dat Heideggers ‘hiërarchische immanentie’, waarbij het Zijn weer toegankelijk wordt vanuit de zijnden, maar waarbij binnen het geheel van de zijnden duidelijke hiërarchieën zijn waar te nemen, de oorzaak is van de mislukking van Heideggers politieke aspiraties en op zijn zachtst gezegd onwenselijke gevolgen heeft gehad op dat vlak.
Mijn intuïtie is dat Heideggers denken overeenkomsten vertoont met wat Victor en Victoria Trimondi in hun (omstreden) studies De Shadow of the Dalai Lama en Hitler, Buddha, Krishna belichten als 'fascistisch occultisme', waarmee een deels aan het Tibetaanse tantrische boeddhisme ontleend geloof is gemoeid dat goden kunnen incarneren als bijvoorbeeld staatslieden[^^^].
Hoe dit ook zij, Heideggers 'val' laat in mijn ogen zien dat een denken dat het subject wil 'overwinnen', zich op gevaarlijk terrein begeeft (Hannah Arendt betoogde in 1945 iets dergelijks in haar publicatie Was ist Existenzphilosophie?). Dat bijna alle Japanse zen-meesters meegingen in het Japanse fascisme van de vorige eeuw, vormt daarvoor eveneens een pijnlijke aanwijzing. Mijn kennis schiet zwaar tekort om te kunnen beoordelen of een dergelijk risico tevens schuilt in de filosofie van Gilles Deleuze, wiens opvatting van identiteit als iets secundairs ten opzichte van veelheid (een soort afgeleide of residu daarvan), in het licht van zijn interpretatie van het vitalisme en de ideeën van Spinoza, mogelijk polytheïstische trekken heeft (vergelijk het tantrisch-boeddhistische pantheon), waarbij toch sprake is van een 'absolute grond' (vergelijk[^^^^] de tantrisch-boeddhistische Adi-Boeddha).
Voor een analyse van het verband tussen Heideggers latere zijnsdenken en zijn politieke ontsporing zie bijvoorbeeld
Heidegger's philosophy of being: a critical interpretation ( Princeton University Press, 1998) van Herman Philipse. Een even genadeloze als hilarische beschrijving van Heidegger geeft Thomas Bernhard in zijn komedie Alte Meister.
[^^^] Arnold Heumakers merkt in zijn essay De sprong op de bodem op in verband met Heideggers fundamentele begrip 'Ereignis':
De mens [...] wordt [...] door het Zijn gebruikt als de 'openheid' [...] waar de ont-berging [een soort onthullen van aletheia, de waarheid; K] geschiedt, terwijl de 'waarheid' tegelijkertijd wordt 'geborgen' in de woorden en de werken van de mensen die in deze 'gebeurtenis' betrokken zijn, en die Heidegger onderscheidt als de dichter, de denker, de staatsman en de kunstenaar. In hun ontvankelijkheid voor de 'schenking' (Schickung) van het Zijn 'ontwerpen' zij de 'waarheid' die bepalend zal zijn voor de 'wereld' die met dit ontwerpen [...] ontstaat.
Heidegger heeft Hitler lange tijd enthousiast voor zo'n door het Zijn bevlogen (vergelijk in het tantrisch boeddhisme: geïncarneerde) staatsman gehouden.
Later toegevoegd: in de pas onlangs vrij gegeven "Zwarte schriften" betoont Heidegger zich een adept van klassiek complotdenken met betrekking tot Joden. Zie bijvoorbeeld:

Is die Heidegger nou helemaal gek geworden?
Door Antoine Verbij, De Groene Amsterdammer, 14 mei 2014 (abo vereist)

In Heideggers zojuist gepubliceerde Overdenkingen staan antisemitische frasen. In zijn wereldbeeld is het "wereldjodendom" een van de grafdelvers van het avondland. Heideggers verstands­verbijstering is onder filosofen ingeslagen als een bom.

[^^^^] Mijn intuïtieve vermoeden over dit raakvlak wordt bevestigd door deze paragraaf - die overigens evenals mijn speculatie kwestieus is, want geen bronvermeldingen bevat - in de wikipedia over immanentie:

Tantric Buddhism and Dzogchen posit a non-dual basis for both experience and reality that could be considered an exposition of a philosophy of immanence that has a history on the subcontinent of India from early AD to the present. A paradoxical non-dual awareness or rigpa (Tibetan — vidya in Sanskrit) — is said to be the 'self perfected state' of all beings. Scholarly works differentiate these traditions from monism. [...]
Exponents of this non-dual tradition emphasize the importance of a direct experience of non-duality through both meditative practice and philosophical investigation. In one version, one maintains awareness as thoughts arise and dissolve within the 'field' of mind, one does not accept or reject them, rather one lets the mind wander as it will until a subtle sense of immanence dawns. Vipassana or insight is the integration of one's 'presence of awareness' with that which arises in mind. Non-duality or rigpa is said to be the recognition that both the quiet, calm abiding state as found in samatha and the movement or arising of phenomena as found in vipassana are not separate. In this way it could be stated that Dzogchen is a method for the recognition of a 'pure immanence' analogous to what Deleuze theorized about.
Zie wellicht ook Avatar Bodies: A Tantra For Posthumanism (boek bevat zelfs een heuse 'Deleuze-Tantra Dictionary') en hier & hier (Multiplicious Becomings: tantric theologies of the grotesque - mede geïnspireerd door Deleuze).
Toegevoegd december 2012: De wiskundige Carl Friedrich Gauss heeft over het magische moment van het 'rond krijgen' (mijn woorden) van een mathematische ontdekking gezegd:
Aber alles Brüten, alles Suchen ist umsonst gewesen, traurig habe ich jedesmal die Feder wieder niederlegen müssen. Endlich vor ein paar Tagen ist's gelungen [...] Wie der Blitz einschlägt, hat sich das Rätsel gelöst; ich selbst wäre nicht im Stande, den leitenden Faden zwischen dem, was ich vorher wusste, dem, womit ich die letzten Versuche gemacht hatte, und dem, wodurch es gelang, nachzuweisen.
Frappant dat Gauss het gebeuren van de ontdekking of oplossing vergelijkt met een blikseminslag, dus een elektriserend licht van buitenaf, en dat hij benadrukt dat hij er niet uit kon komen door louter redeneren vanuit het stadium waarin zijn denken en begripsvermogen een tijdlang stagneerde.

Rüdiger Sünner:

Hier hat sich im Denken ereignet, was Novalis - etwas pathetischer - mit Berührung des irdischen durch einen himmlischen Geist umschreibt, eine Beobachtung, die nicht nur viele Künstler, sondern eben auch Naturwissenschaftler, Mathematiker und Erfinder kennen: "Es dünkt dem Menschen, als sei er in einem Gespräch begriffen, und irgendein unbekanntes, geistiges Wesen veranlasse ihn auf eine wunderbare Weise zur Entwicklung der evidentesten Gedanken" [aldus Novalis; K].
Eveneens relevant in de context van deze blognotitie over 'evidentie' is, dat Sünner eraan herinnert dat voor Novalis geen scherp onderscheid bestond tussen weten en geloven. Sünner:
Glauben ist [voor Novalis; K] immer schon eine Art Vorwissen, Vorahnung, ein Vorauswurf, der den Weg des Erkennens bahnt, eine "Erkenntnis aus der Ferne". Umgekehrt wird Glaubenskraft durch Erkenntnis vertieft statt eliminiert. Der Glaube ist auch in der Naturwissenschaft ein notwendiger "Grundwahn", man muss nur unterscheiden zwischen "kleiner und erhabener Hypochondrie", d.h. befruchtender und krankhafter Phantasie. Zur Unterscheidung solcher Gemütszustände fordert der Dichter eine "Fantastik", die ebenso notwendig sei wie die bereits das Denken regelnde "Logik".
Zie ook m'n blognotities:
Het glinsterpad der dingen
Plato's grot en Nietzsche's tijger
Kladgedachten bij Pirsigs Lila
Apenstaartje, systeemgat en menselijk bewustzijn
Overéénkomst
Leegte, 'er zijn', speelruimte en (on)vergankelijkheid
Rudy Cornets de Groot en de ruimte van het volledig leven
Hersenen worden manipuleerbaar: onderzoek
Artaudische eenzaamheid (eerste mijmering over evidentie)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen