blogspot visitor

18 april 2007

Het glinsterpad der dingen

Om de een of andere reden mijmerde ik vanochtend over het "zwaard van de zon" in het boekje "Palomar" van Italo Calvino, dat ik lang geleden las.

Boekomschrijving:
In Palomar schetst Calvino het vermakelijke beeld van een man die zijn blik als een telelens richt op wat hem dagelijks onder ogen komt. Meneer Palomar is geen dromer, maar een denker, die door zijn obsessieve werkwijze van iedere mug een olifant maakt. Zijn geïsoleerde aandacht voor de dingen heeft een gemoedstoestand tot gevolg die hem een normale omgang met zijn medemens belet. Zwijgend probeert Palomar zich aan zijn omgeving te onttrekken en een eigen moraal te vormen. Maar is hij in staat de taal van de buitenwereld die zich aan hem opdringt, volledig buiten te sluiten?
Leuke vondst dienaangaande op het net:
The Glitter Path: an everyday life phenomenon relating physics to other discplines:
As is well known from other reflection phenomena, e.g. the rainbow or the 'heiligenschein', each glitter path is unique therein that it belongs to the observer. Due to the physical fact, that only those points of the rippled surface appear lit by the light source which according to the law of reflection had an appropriate slope, the location of the 'sword of the sun' depends crucially on the observer's position. This explains, why Mr. Palomar saw the sword always directed to him.
Het blinkende zwaard, het glinsterpad op de zee tussen jou (aan het strand) en de ondergaande zon, bestaat niet op zichzelf, is niet uit zichzelf. Waar je je ook aan het strand bevindt, overal sta je aan de punt van het zwaard; dat geldt ook voor de andere wandelaars; er zijn zoveel glinsterpaden als er waarnemers zijn - en als het strand leeg is, zijn er geen strookvormige lichtspiegelingen (of oneindig veel). Als ik een eindje van jou af sta, zie ik geen op jou gericht zwaard, wel een in mijn richting. Echter: de zon zou de zon niet zijn zonder de glinsterpaden op het water. Als we op een dag geen spiegelingen meer zouden zien, dan was de zon niet meer dezelfde zon of de zee niet meer dezelfde zee.

De sprong die je vervolgens kunt maken (of is dit een denkfout!) is: begrijpen dat wat je ziet van de zon zelf - namelijk het fel stralende, gele, schijfvormige ding vlak boven de horizon - net als het op de zee drijvende zwaard zowel 'illusoir' is als dat het werkelijk hoort bij de zon, deel uitmaakt van de identiteit van de werkelijke zon. Je bent een aspect, een verschijningsvorm gewaar van de zon en van de zee. Voor iemand op een andere breedtegraad, bijvoorbeeld, heeft dezelfde zon een roodoranje kleur (dicht op de horizon staand), terwijl hij voor jou geel is (een eindje boven de horizon).

In Plato's vertelling van de grot gaat het om de sprong van het min of meer vertrouwde verband tussen ding en afbeelding (zoals de schaduw, het spiegelbeeld) naar het moeilijk te doorgronden verband tussen het ware en schijnbare ding, wezen en waargenomene, identiteit en veelheid van gestalten, eenheid en ontvouwing.

Maar wellicht niet in de geest van Plato zou ik denken dat wat wij waarnemen (van iets), zowel 'illusoir' is, als dat het noodzakelijk behoort tot de werkelijke identiteit (van iets). In de aspecten, door de verschijningsvormen, neem je het ding zelf waar. Als het ware langs het glinsterpad, 'over the rainbow' (maar niet aan gene zijde!), bereik je het ding zoals het werkelijk is; je bent je van het ding zelf bewust, zij het bij benadering.
Somewhere over the rainbow
Way up high
And the dreams that you dreamed of
Once in a lullaby
Somewhere over the rainbow
Blue birds fly
And the dreams that you dreamed of
Dreams really do come true
Someday I'll wish upon a star
Wake up where the clouds are far behind me
Where trouble melts like lemon drops
High above the chimney tops is where you'll find me
Somewhere over the rainbow bluebirds fly
And the dreams that you dare to, oh why, oh why can't I?
Well I see trees of green and Red roses too,
I'll watch them bloom for me and you
And I think to myself
What a wonderful world
Well I see skies of blue and I see clouds of white
And the brightness of day
I like the dark and I think to myself
What a wonderful world
The colors of the rainbow so pretty in the sky
Are also on the faces of people passing by
I see friends shaking hands
Saying, "How do you do?"
They're really saying, I...I love you
I hear babies cry and I watch them grow,
They'll learn much more than
We'll know
And I think to myself
What a wonderful world
Someday I'll wish upon a star,
Wake up where the clouds are far behind me
Where trouble melts like lemon drops
High above the chimney tops is where you'll find me
Somewhere over the rainbow way up high- uit The Wizard of Oz; tekst E.Y Harburg
In The wonderful wizard of Oz wordt de vraag opgeworpen of de copper man zichzelf blijft als al zijn onderdelen een voor een worden vervangen. Dit is het probleem van de essentie van een ding, het 'wat' van een ding, in de filosofie bekend als het 'Schip van Theseus'.

Curieuze associatie bij bovenstaande associaties: Frank L. Baum, de schrijver van 'The Wonderful Wizard of Oz' (1900), was volgens deze website lid van de Theosophical Society. En op de site staat:
Maya or illusion is an element which enters into all finite things, for everything that exists has only a relative, not an absolute, reality, since the appearance which the hidden noumenon assumes for any observer depends upon his power of cognition.
Niets bestaat, dat niet iets anders aanraakt (Jeroen Brouwers). De dingen en de mensen werken in elkaar door, lopen in elkaar over, verschijnen in elkaar[*].

De waarnemer heeft of vormt een beeld, een indruk van het ding zelf, van het ding zoals het is - het beeld is als het ware een deel van het ding, het is geen beeld van een beeld, van een beeld, van een... ad infinitum. Dat "als het ware" duidt het mysterie aan?

Betekent het bovenstaande, dat de waarnemers medescheppers van de dingen zijn? Is waarnemen tevens 'waargeven'? Dit is in zeker opzicht plausibel wat betreft de dingen die we zelf maken en vormgeven, het culturele, al zijn er voltooide werken, die zich lenen voor louter beschouwing, zou ik denken, en die niet veranderen door die beschouwing noch daarop zijn aangewezen. Maar het is moeilijk te begrijpen ten aanzien van de natuurlijke dingen voor zover zij met rust worden gelaten - planten, dieren, rotsformaties, moerassen, meren et cetera - dat wil zeggen ten aanzien van wat schijnbaar uit zichzelf is wat het is, van wat is uit zichzelf.

Maak overigens niet de vergissing om geen onderscheid te maken tussen een 'subjectieve illusie' (zeg een hallucinatie) en een 'intersubjectieve illusie' (zoals hierboven bedoeld). Als je pal naast meneer Palomar gaat staan en je blik richt naar de zijne, zie je hetzelfde als hij, tenzij een van jullie hallucineert of lijdt aan een andere waarnemingsstoring - in die zin is het zwaard, de spiegeling van de zon op het water zoals een mens die kan waarnemen, beslist géén illusie, net zo min als wat je ziet van de zon, en de zon zelf. 'Illusie' is in de tekst voorafgaand aan deze alinea een provisorische aanduiding geweest: het zwaard van de zon bestaat niet op zichzelf, is niet uit zichzelf, maar is wel een werkelijke verschijningsvorm van de zon.

Ook is het natuurlijk onzinnig het onderscheid te verdoezelen tussen een ding en zijn spiegelbeeld, afspiegeling, beeltenis, model, replica, metafoor of andersoortige weergave of doorwerking. We zijn nu juist in staat dat onderscheid te maken (de spiegeling van een lantaarnpaal in een etalageruit kan je niet met je handen omvatten, bijvoorbeeld, en geeft het geluid van de etalageruit als je er tegenaan klopt).
Mijn gestalte in de spiegel heeft geen geur, is niet tastbaar, neemt geen (plek in de ) ruimte in et cetera. Maar zonder het mij spiegelen, het mij weerspiegeld zien, letterlijk, of figuurlijk in de feedback van het andere en de anderen, is mijn identiteit onbestaanbaar of zou ik althans niet mijzelf zijn geworden en wordend blijven - om het eens paradoxaal uit te drukken. (Een neurologische kijk op het zelf en het spiegelbeeld is hier te vinden.)

Dit las ik na het schrijven van het bovenstaande: "Heidegger argues in 'Being and Time', an appearance is 'that which shows itself in something else,' while a phenomenon is 'that which shows itself in itself'." Het zwaard van de zon is in deze termen een "verschijning" van de zon, terwijl wat je ziet van de zon zelf "fenomeen" is, zou ik denken. Binnen de natuurwetenschappelijke representatietheorie van de waarneming zijn alleen verschijningen denkbaar - de dingen worden via onze zintuigen in onze hersenen afgebeeld en wij maken er wiskundige modellen van - en is dat wat de theorie desondanks heet te verklaren, het zich in zichzelf tonen van de dingen, de 'fenomenaliteit' van de wereld, niet te vatten. Humbug of een cruciaal inzicht?

Een vergelijkbare benadering: denk aan een bloem in de berm van het pad waar je loopt. De bloem zou geen werkelijke bloem zijn, als ze niet zou verwelken en uiteindelijk verteren. Evenmin als ze niet was voortgekomen uit het zaad van een van haar voorgangers. De bloem is veel meer dan wat zich onmiddellijk aan je voordoet. De bloem is (ook) een proces, een ontwikkelingsgang, wat geen abstractie is met de tijd als wiskundige variabele, maar een zich aan mensen voordoen in de loop van met elkaar samenhangende 'hedens'.

En neem de tafel waaraan je zit. Erop kloppen brengt een geluid voort, dat evenzeer tot de tafel behoort als de kleur en de textuur ervan.

Wat je hier en nu gewaar wordt, is dus niet het volledige ding - maar je neemt volgens mij wel het ding zelf waar. En het ding zou het ding niet zijn zonder de zowel 'illusoire' als tot zijn identiteit behorende verschijningsvormen - fenomenen (het ding zich tonend in zichzelf, zij het niet in alle opzichten) zowel als verschijningen (het ding zich tonend in iets anders).

Edmund Husserl stelt - in een andere zin dan Kant - dat het ding transcendentaal is: noch een verzameling primaire eigenschappen (Locke e.d.), noch een wiskundig, natuurkundig, scheikundig et cetera model, noch een gesteldheid van een deel van de hersenen (neurobiologie), noch een afbeelding, term in een taalspel of metafoor (logica, taalfilosofie, structuralisme, sociologie e.d.), noch een louter zintuiglijke gewaarwording, noch het geheimzinnige "Ding an sich" of onze aangeboren 'reconstructie' daarvan (Kant) - misschien meer iets als de idee van Plato, maar dan non-dualistisch opgevat, zoals, meen ik, Cornelis Verhoeven het doet? [Toegevoegd februari 2012: mogelijk knoopt Verhoeven en/of Husserl aan bij Plato's begrip chora; ik heb daaromtrent te weinig kennis van zaken.] Een kentheoretisch ultiem valide [totaal evidente] omschrijving? Als ik het goed begrijp, ontkent de latere Husserl het uit zichzelf zijn of op zichzelf bestaan van de dingen, los van bewustzijn; en richt Heidegger zich juist op het zijn van de zijnden, ik neem aan beschouwd als een zijn dat niet is aangewezen op bewustzijn. Ik zou zeggen dat Heidegger nogal een punt heeft, want de trancendentale fenomenologie van Husser lijkt er uiteindelijk op neer te komen, dat er afgezien van een 'wezenloos' bewustzijn eigenlijk niets is. Husserl lijkt het dragende of grondende - bij Heidegger het zijn? - van de wereld gelijk te stellen aan een soort onpersoonlijk, zuiver, intersubjectief of bovensubjectief of objectief bewustzijn, waarvan het bestaan net zo speculatief is als het vermogen van een denker een dergelijke 'universeel-lucide staat' te bereiken. Je voelt ergens dat de overgang van Husserls visie naar het geloof in een albewuste schepper niet groot is, waar bij Heidegger meer het mysterie van de natuurlijke oorsprong van de wereld en de dingen in beeld komt en bepaald niet noodzakelijk als iets negatiefs (zoals bij Levinas of, anders, bij Sartre).

Vergelijk: filosofiewetenschapkunst.web-log.nl/filosofiewetenschapkunst/2005:
Met het onder vuur liggen van de metafysica, het christendom en de ontdekking van niet-euclidische meetkundes (zodat zelfs Kants transcendentale filosofie wankelt), lijken in de 19de eeuw alle vertrouwde absolute waarheden één voor één weg te vallen en de weg vrij te maken voor verregaand nihilisme, subjectivisme en psychologisme. Rond 1900 zou Husserl zich hier sterk tegen verzetten en zich sterk maken voor het bestaan van een objectieve ideële wereld naast de reële wereld. Uitgangspunt van zijn filosofie daarbij was het zuiveren van het psychologisme in de logica en aantonen hoe in de meetkunde en de cultuur de constitutie van ideële objecten tot stand komt. Onder die ideële objecten dient men alle normatieve begrippen te verstaan, van logica en wiskunde tot ethiek.
Net als Husserl hanteert Popper zo'n objectieve ideeënwereld die Popper de Derde Wereld noemt. En net als bij Husserl heeft deze ideële werkelijkheid geen goddelijke of metafysische oorsprong, maar heeft de mens hem zelf gecreëerd hetgeen echter niets af doet aan de objectieve idealiteit. Net zoals een schrijver zijn gedachte kan materialiseren door hem in een boek neer te schrijven en een kunstenaar zijn idee de vorm kan geven van een schilderij of beeldhouwwerk, dus een psychologisch 'ding' kan transformeren naar een materieel ding, zo worden psychologische 'dingen' ook omgezet in objectieve ideële 'dingen' die tezamen onze cultuur vormen.
En zie ook: http://home.student.utwente.nl/j.w.dijkshoorn/gt/college3.html
Waar overigens wordt gesteld: "Wat Husserl wil zeggen is dat je een ding niet kunt waarnemen, dus je weet er niets over, alleen over het fenomeen". Ik vraag me af of dit een juiste weergave van Husserl visie is, zo ja, dan ben ik het niet met hem eens.

Het besef, het bewustzijn dat daar dat ding is of algemener dat dát dát is, kan je de wetenschap noemen dat dát dát is; vaststellen dat dát dát is, is zo bezien het oorspronkelijke wetenschappelijke denken (als er ook een 'daar' wordt vastgesteld, is het natuurwetenschappelijk denken). De overeenkomst met wetenschap in de normale zin van het woord is, dat het besef van het ding niet onfeilbaar is, maar wel toetsbaar ('ga na of zich de verwachte, geëigende aspecten van het ding aan je voordoen als je je op de betreffende manieren op het ding instelt') en betrekking heeft op iets dat werkelijk is. Echter: de wetenschap in de normale zin van het woord pretendeert de dingen louter te doorgronden; maar in de kern van haar activiteit vindt een waarnemen, een zich instellen plaats dat mede gestalte geeft aan wat wordt onderzocht?
- Ik bazel vast nogal, ik moet eens lezen Cornelis Verhoevens: "Het dat, het wat en het waarom. Een inleiding in de Griekse metafysica" (Damon, Best, 1996).

Hoe dan ook, de stelling van het fenomenologische idealisme, dat ook de natuurlijke dingen niet los (kunnen) bestaan van het bewustzijn, zou ik niet voor mijn rekening willen nemen. Het is volgens mij bepaald niet ondenkbaar, om maar iets te noemen, dat bacteriën in de Middeleeuwen bestonden én zich ook op microscopisch niveau - dus niet alleen in de vorm van de builen, de koorts et cetera - zo gedroegen als in de twintigste eeuw is ontdekt. En neem het zonnestelsel voordat op aarde leven ontstond. Et cetera. Of gaat het niet om dat soort veronderstellingen of voorstellingen?
De zienswijze dat elk ding, de wereld of zelfs het zijn is aangewezen op bewustzijn - en dat het idee van een wereld zonder bewustzijn, van dingen op zichzelf, dingen die uit zichzelf zijn, een absurditeit is - is iets waar ik met mijn verstand niet bij kan, al flitst soms door mijn hoofd dat het misschien toch zo is en weet ik dat de quantummechanica het filosofische realisme steeds meer op de proef stelt. Verwarring ligt op de loer (in de hele tekst hierboven trouwens, die vergeleken met de uitgesponnen en secure analyses van een Husserl sowieso een toonbeeld van doolhoofdig en gevoelsmatig denken is). Bijvoorbeeld van het type: "ik ben er, en aangezien het heelal alles omvat wat er is, behoor ik noodzakelijk tot het heelal en is het heelal ondenkbaar zonder mij".

Wikipedia over Husserls denken: "knowledge of essences would only be possible by "bracketing" all assumptions about the existence of an external world. This procedure he called epoché." Dit lijkt erg op de methode van Descartes en het probleem van het solipsisme zou Husserl dan ook blijven bespoken. Een van de fundamentele dingen die je bijzonder moeilijk tussen haakjes kunt zetten, is dat mensen van elkaar al behoorlijk begrijpen wat ze zeggen en dat ze wat een hoop dingen betreft al weten waar ze het over hebben - iets waar ook Husserl, wil hij te volgen zijn, vanuit moet gaan (of hij zou ons een compleet nieuwe taal moeten leren, maar hoe...) Meneer Palomar zou je een zeldzaam epochétisch type kunnen noemen, lijkt me.

Terzijde: de filosofie van Husserl wordt in het proefschrift Adhyasa door A.R. Scheepers in verband gebracht met de Indiase filosofie - de Advaita Vedanta van Samkara, 8ste eeuw, "Advaita" betekent iets als "non-dualisme"; zie ook bijvoorbeeld: "The idea of creation as the free, spontaneous, and joyous play (lila) of the gods has been a pervasive motif in Indian thought since Vedic times. In the tradition of Advaita Vedanta, however, where the sole Reality is Brahman alone, divine playfulness is given an illusionistic interpretation and lila becomes an expression of the deceptive power of maya." Een subtielere uitleg van de verhouding tussen werkelijkheid en illusie bij Samkara lijkt deze te zijn.
Naast Karl Popper zou volgens de wikipedia de logicus en filosoof Kazimierz Ajdukiewicz sterk door Husserl zijn beïnvloed.

Noot
Deze noot is toegevoegd op 9 januari 2011

In het artikel: 'Naar een niet-dialectische verhouding van lichaam en ziel. Een interculturele spiegeling van het Afrikaanse denken' in het tijdschrift
Esthetica, zegt Heinz Kimmerle:
'Douwe Tiemersma heeft de eigen kennis, die het lichaam van de wereld prereflexief altijd al heeft, nader uitgewerkt. In zijn boek Body Schema and Body Image geeft hij een uitgebreide interdisciplinaire en fenomenologische uiteenzetting van de verschijnselen ‘lichaamsschema’ en ‘lichaamsbeeld’. Dit is een nadere invulling van ‘het ruimtelijke aspect van de lichamelijke existentie, dat zich richt op een bestaande of mogelijke taak’ in het fenomenale veld. Ik weet bijvoorbeeld op een onbewuste manier – mijn lichaams-subject weet – dat ik door een relatief kleine opening zou kunnen of niet. Dit berust op een cognitieve bekwaamheid van het lichaam die aan het bewuste weten van het verstand voorafgaat. Volgens Tiemersma heeft Merleau-Ponty de gerichtheid van het lichaams-subject op de wereld lange tijd nog te zeer vanuit de subject-kant bekeken (Tiemersma 1989, 221-251). Pas door zijn onderzoek naar de ervaring van de schilder – Merleau-Ponty heeft het vooral over het werk van Cézanne – wordt met de wederzijdse relatie tussen het lichaams-subject en de dingen in de wereld voldoende rekening gehouden. De schilder die een landschap op het doek vastlegt, neemt daarin een bepaalde plaats in. Deze situering beïnvloedt zijn perspectief in alle richtingen. Het landschap vormt een cirkelvormig veld om hem heen of hij loopt om een voorwerp heen dat hij wil schilderen om het van alle kanten te bekijken. Schilder en voorwerp zijn op deze manier ‘delen van hetzelfde zijn’. In de formulering van ‘het zien van de dingen’ is de genitief zowel in subjectieve als ook in objectieve zin te lezen (Merleau-Ponty 1961, 17). Wij zien de dingen en de dingen zien ons. Tiemersma vat deze verhouding als volgt samen: ‘Omdat je in de wereld staat, word je gezien, terwijl je ziet. Je wordt, als ziende, door anderen gezien en je ziet hen. Er is een heen en weer gaan van blikken, een wederzijds zich spiegelen’. Dit ‘kan bij dieren worden ervaren die je aankijken en op een minder persoonlijke manier bij planten en levenloze dingen.’ Hoeveel meer zal dit op kunstwerken van toepassing zijn, waarin de schilders datgene ‘aan de dingen die zij zagen hebben toegevoegd wat de dingen van hen zagen’? Wij zien de dingen en de dingen zien ons (Tiemersma 1989, 222 v., 227v., 240-242)[cursivering door mij; K].'

Later toegevoegd:

Rainbow body
Wikipedia

Mindstream
Wikipedia
Zie ook mijn blognotities:
De cirkel van de waarheid, Wittgenstein en Merleau-Ponty
Hoe je de waarheid vastnagelt: de paradox van de evidentie
Fernando Pessoa à la Boeddha