blogspot visitor

26 april 2010

Fernando Pessoa à la Boeddha

[Translation to English by Google]

Fernando Pessoa schrijft in Het boek der rusteloosheid (De Arbeiderspers 1990, paragraaf 129 [199], pagina 160, vertaling Harry Lemmens):

"Hoog in de nachtelijke eenzaamheid schijnt achter een raam een onbekende lamp. Al het andere dat ik zie in de stad is donker, behalve waar het zwakke schijnsel van de straatlantarens vaag opstijgt en hier en daar een bleek omgekeerd maanlicht doet zweven. In het duister van de nacht[*] steken de verschillende kleuren of kleurtinten van de huizen onderling amper af; enkel vage, men zou haast zeggen abstracte verschillen breken de orde van het opeengestapelde geheel.
Een onzichtbare draad verbindt me me de naamloze eigenaar van de lamp. Het is niet de banale omstandigheid dat we allebei wakker zijn: wat dat betreft is er geen wederkerigheid mogelijk, want ik sta in het donker voor het raam en hij kan mij dus niet zien. Het is iets anders, iets van mij alleen, iets dat van doen heeft met het gevoel van verlatenheid, iets dat deel uitmaakt van de nacht en de stilte, iets dat die lamp kiest als steunpunt, omdat het het enige is. Het lijkt alsof de nacht zo donker is omdat zij brandt. Het lijkt alsof zij schijnt omdat ik wakker ben en sta te dromen in het donker.
Al wat bestaat, bestaat wellicht omdat iets anders bestaat. Niets is, alles coëxisteert: misschien klopt het zo. Ik voel dat ik op dit moment niet zou bestaan – dat ik althans niet zou bestaan op de wijze waarop ik thans besta, met het bewustzijn dat ik nu van mij heb, hetgeen omdat het bewustzijn is en ik het nu heb, op dit moment volledig ik is – als die lamp ginds niet zou branden, een vuurtoren die niets aanduidt in een onecht voorrecht van hoogte. Ik voel dit omdat ik niet voel. Ik denk dit omdat dit niets is. Niets, niets, deel van de nacht en van de stilte en van wat ik met hen ben aan nietigheid, negativiteit, tussenruimtelijkheid, ruimte tussen mij en mij, vergetelheidsding van een god…"

Met de eerste zin die ik heb gecursiveerd is bijna letterlijk identiek wat Thich Nhat Hanh herhaaldelijk kernachtig formuleert als een fundamenteel inzicht van het Boeddhisme: 'Dit is (zo), omdat dat (zo) is'.
En Pessoa’s mijmering over het 'niets' - Niets is, alles coëxisteert enzovoorts - resoneert met het Boeddhistische 'vorm is leegte', (elk ding is 'leeg van een onafhankelijk zelf') al is de term 'niets' in de zin van Pessoa's 'negativiteit' weer minder in de geest daarvan, zoals ook 'rusteloosheid' natuurlijk niet des Boeddha's is.

Overigens raakt de 'onzichtbare draad' die Pessoa ervoer tussen hem en de eigenaar van de lamp gaandeweg zijn meditatie uit beeld. Als je negeert dat Pessoa die verbinding iets 'van mij alleen' noemt en nu juist met 'verlatenheid' in verband brengt - wat zonder meer paradoxaal is - kan je opperen dat hem voor de geest zweefde dat, zoals zijn eigen bestaan onlosmakelijk verbonden bleek met de lamp en zelfs 'aangewezen' op de lamp, dit tevens gold voor de eigenaar van de lamp - zodat Pessoa en de eigenaar 'door' de lamp met elkaar zijn verbonden, niet in triviale zin (gewoon omdat beiden zo hun belevingen van hetzelfde ding hadden), maar bij wijze van samen-zijn (coëxistentie) waarin geen enkel zijnde 'op zichzelf' is of zelfs 'wezenlijk' is - namelijk omdat elk zijnde leeg is van een onafhankelijk zelf, geen onafhankelijk zelf heeft, wat volgens Nhat Hanh trouwens toch positief inhoudt dat het bestaat uit alle andere zijnden. Wat tot de paradox leidt dat er dan au fond (zoals Pessoa opmerkt) niets lijkt te bestaan, immers elk van die andere zijnden is eveneens 'buiten zichzelf'.

Enkele bladzijden voor deze passage (in paragraaf 102 [163], bladzijde 129-130 van voornoemde uitgave) staat een andere beschouwing die me sterk aan een uiteenzetting van Thich Nhat Hanh doet denken – over het papier waarin de zen-meester de wolken, de regen, het bos, de houthakker et cetera ziet, in het begin van de publicatie Vorm is leegte, leegte is vorm (Asoka 2000, bladzijde 15 e.v.):

"Ik zit in de tram en kijk langzaam, zoals ik gewend ben, naar alle details van de mensen voor me. Voor mij zijn de details dingen, stemmen, zinnen. Bij het meisje dat vlak voor me zit, ontleed ik de jurk in de stof waaruit hij is gemaakt en het werk waarmee men hem heeft vervaardigd – want ik zie hem als jurk en niet als stof – en het fijne borduursel dat het halsstuk siert, valt voor me uiteen in de zijden draad waarmee het werd geborduurd, en het werk dat het gekost heeft om het te borduren. En onmiddellijk, als in een inleiding op de politieke economie, ontvouwen zich de fabrieken en de werkzaamheden voor me – de fabriek waar de stof wordt gemaakt; de fabriek waar het zijden garen van een iets donkerder tint wordt gemaakt waarmee het plekje naast de hals versierd wordt met lusjes en kruisjes; en ik zie de fabriekshallen, de machines, de arbeiders en de naaisters, mijn naar binnen gekeerde ogen dringen door in de kantoren, ik zie de bedrijfsleiders pogen rustig te blijven, ik volg in de boeken de boekhouding van dat al; maar het is meer dan dat: ik zie bovendien het huiselijk leven van hen die in die fabrieken en op die kantoren hun sociale leven leiden… De hele wereld ontrolt zich voor mijn ogen, alleen omdat ik voor me, onder een gebruinde nek met aan de andere kant een mij onbekend gezicht, de regelmatige onregelmatigheid zie van een donkergroene versiering boven het lichtgroen van een jurk.

Heel het maatschappelijk leven ligt voor mij.

Voorts vermoed ik de vrijages, de uitwasemingen, de ziel van al diegenen die hebben gewerkt opdat deze vrouw hier voor me in de tram om haar sterfelijke hals de gewonden banaliteit kon dragen van donkergroen zijden garen op een minder donkere groene jurk.
Ik word duizelig. De banken van de tram, met gevlochten zittingen van korte, stevige strohalmen, voeren me naar verre streken, vermenigvuldigen zich voor me in industrieën, arbeiders, huizen van arbeiders, levens, realiteiten, alles.

Uitgeput en slaapdronken sta ik op. Ik heb het hele leven geleefd."

Vergelijk:

Sprekende denker Jan Bor: filosoof en gewezen zenboeddhist
Door Marco kamphuis, Filosofie Magazine, nummer 1, 2006

(...) ‘Precies. Dat is wat de beoefenaars van zen tot in eeuwigheid proberen: hun hart te openen. Het idee dat je alles kunt beheersen en met je denken vatten, moet je laten varen. Je moet uit het denken stappen en in je diepste gevoel gaan zitten.’
En dat is dus de onmiddellijke ervaring. Wat je in die onmiddellijkheid gewaarwordt (...) is niet iets wat je kunt objectiveren, niet iets wat je met begrippen kunt vastleggen, maar een veranderlijke, objectloze werkelijkheid – ‘een lege werkelijkheid, wat natuurlijk een paradox is’. Zo komen we tot een objectloze filosofie, ofwel een filosofie van het niets.

Noot

[*] Toegevoegd 8 juli 2013: boeddhist Ton Lathouwers maakt attent op de prachtige ode aan de nacht van Pessoa, op moment van dit schrijven hier te lezen (doe ctrl-F 'fragment van een ode'). Tegen het slot luidt het: 'Niemand ziet u binnentreden. / Niemand weet wanneer ge zijt gekomen, / Tenzij plotseling, ziende dat alles in zich keert, / Dat alles lijn en kleur verliest [...]'.
Toevallig las ik eerder vandaag een mooi artikel van een andere boeddhist, waarin staat: 'An old rabbi was talking with his assembly. He asked his people, "How do we know when the night has ended and the day has begun?" After a moment someone ventured, "Is it that moment when the individual trees begin to step out of the forest?" The old rabbi shook his head. No it it not that moment. Another one spoke up. "Is it that moment when we can begin to tell a cloud from the morning mist?" No, said the old rabbi. No it is not that moment. They all fell deeply silent. Finally someone said, "Please tell us, rabbi, how can we know that moment when the night has ended and the day has begun?" And then the old rabbi said, "It is that moment when you can look into the face of a stranger, and recognise your own original face. Until then, the night is still with us".'
Bij deze korte anekdote (waaraan misschien het woord 'original' is toegevoegd om het meer in zen-stijl te vertellen) is de ode van Pessoa in mijn ogen een passend complement. De nacht krijgt bij hem namelijk een kwaliteit van vertroosting en misschien zelfs de onomlijnde mogelijkheid van verlossing, ondanks of juist mede dankzij 'negatieve' verzen als: 'Nacht, onttroond geboren Koningin', 'Onze Vrouwe / van de onmogelijke dingen die wij vergeefs zoeken' en 'En ontblader mij naar uw behagen'.
Het is natuurlijk 'allemaal maar beeldspraak', maar de dichter lijkt in tegenstelling tot de rabbijn juist (ook) 's nachts het 'oorspronkelijke gelaat' waar te nemen, getuige de gevoelde verbinding met de onbekende eigenaar van de lamp waarnaar hij opkijkt (vergelijk de maan tot slot van de ode aan de nacht).
Bij de verzen 'Kus ons in stilte op het voorhoofd, / Zo licht op het voorhoofd dat we slechts merken dat men ons kust / Aan een verandering in de ziel, / En door een vage snik die opstijgt als een melodie / Uit wat het overoudste is in ons / Waar wortel hebben al die wonderbare bomen / Welker vruchten zijn de dromen die wij liefhebben en koesteren / Omdat wij weten dat ze onverwant zijn met al wat er is in 't leven'... bij die verzen past goed een beschouwing van Nico Tydeman die ik later vandaag las, naar aanleiding van de verzen 'Religies zijn gedichten. Ze verenigen / ons daglicht-ik en onze dromende ziel [...]', van de (katholieke) Australische dichter Les Murray. (Deze associatie zal Tydeman vast bevallen, gezien zijn boek Dansen in het duister en zijn overweging: 'Ik heb mij voorgenomen een geestelijk pad te gaan, de nacht die mijn bestaan omhult steeds dieper te betreden.')

In Pessoa's lofzang op de nacht frappeert me verder 'Kom, moederlijke, / Voetje voor voetje aloude verpleegster, gij die hebt gezeten / Aan het hoofdeind van de goden der teloorgegane geloven'. Dit doet me sterk denken aan de sjechina, het 'vrouwelijke gelaat van God'. De sjechina verwijlt volgens de talmoed aan het hoofdeind van een zieke en begeleidt allen die gedwongen zijn in ballingschap te gaan. Je kunt het misschien ook zien als het (aspect van het) oorspronkelijk gelaat van God of Geest dat meestal aan het oog is onttrokken sinds de vrijwel absolute dominantie van patriarchale culturen en godsdiensten, die oudere godinnen hebben 'onttroond'.

Zie ook m'n blognotities:
Het zijn en het niets, vorm en leegte
Leegte, 'er zijn', speelruimte en (on)vergankelijkheid
Het glinsterpad der dingen

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen