blogspot visitor

27 november 2010

De mystieke giechel - over Meister Eckhart

Oek de Jong over Meister Eckhart, Trouw, 27 november 2010
"[...] ik zie een verband tussen een aantal ideeën van Eckhart, zijn monnikse manier van denken over de Gottesgeburt im Seelengrunde, en een cruciaal element van het scheppingsproces [bijvoorbeeld het schrijven; K]."
Lees meer | OekdeJong.nl

Toegevoegd december 2013 [hieronder citeer ik uitvoerig uit Eckhart Nu (uitgeverij Augustus, 2010, 253 pagina's, met essays van Oek de Jong, Jan Oegema, C.O. Jellema, Nico Tydeman, Gerard Visser en anderen), een aanrader! - op moment van dit schrijven alleen tweedehands verkrijgbaar]:

De titel van deze blog is in die zin misleidend, dat men over het algemeen Eckhart von Hochheim meer 'blijde ernst' dan een 'half gesmoorde lach' toedicht. Oek de Jong mist bij hem juist de "mystieke giechel" van veel zenmeesters. Van de andere kant schrijft Jan Oegema (terecht), dat je met enige overdrijving kunt stellen dat Eckhart een "christelijke vorm van taoïsme" introduceert - een leer die hij in zijn tijd in Europa niet kon kennen. En merkt De Jong op bij Eckharts beroemde zin: "Daarom bidden wij God dat wij van God leeg worden": "Zou hij een ogenblik verrukt en ironisch geglimlacht hebben toen hij deze provocerende woorden gebruikte? Het is een zin die de mystieke giechel oproept." Toch wel, dus.

In Siegfried (2001) brengt Harry Mulisch - helaas, ben ik bijna geneigd te zeggen in het verlengde van een dergelijke observatie van Oegema - Eckharts visie in verband met de figuur Adolf Hitler.
"In het kielzog van Hegel, maar in oppositie tot hem, heeft Kierkegaard gezegd dat het Niets de angst baart. [...] Later keerde Heidegger de stelling van Kierkegaard om en zei, dat de angst het Niets openbaart - en dat 'in het Zijn van het zijnde het nietigen van het Niets' geschiedt. Hoongelach van de logisch-positivisten natuurlijk, vooral van de Wiener Kreis, maar ligt in de richting van die negativistische conceptie niet de verklaring van Hitler? Namelijk als personificatie van dat angstbarende, nietigende Niets, de uitroeier van alles en iedereen, niet alleen van zijn vijanden, ook van zijn vrienden [...]. En op de achtergrond van dat alles schemert dan de extatische gestalte van Meister Eckhart, wiens mystieke bezetenheid in dit perspectief plotseling demonische trekken krijgt, hij, met zijn donkere nacht van de ziel en nietswording..."
Oegema stelt dat het biografische gegeven dat Eckhart nu juist opkwam voor (elementen van) de visie van de door het Vaticaan als halve of hele ketters bejegende begijnen en sowieso grote moed toonde door met zijn leer de Roomse clerus te tarten - tenslotte stuurde men de inquisitie op hem af! - "verbiedt" zijn ideeën in verband te brengen met het nationaalsocialisme. Daar zit veel in, al mocht Mulisch bovenstaande speculatieve associatie natuurlijk beslist toelaten en in zijn roman opnemen. En besef dat in Siegfried de Mulisch-achtige protagonist, de schrijver(!) Rudolf Herter, op een even intrigerende als duistere en verontrustende manier aan het personage Adolf Hitler wordt gekoppeld; indirect wordt zo een diepe verwantschap geponeerd tussen Mulisch en Eckhart. Dienaangaande zijn, naast "conceptie", volgens mij het "baren" en "openbaren" in bovenstaand citaat van bijzondere betekenis. En natuurlijk dat Mulisch Heidegger citeert[1] dat precies "in" het zijn het "nietigen van het Niets" gebeurt. Wat, dit terzijde, sterk doet denken aan het hameren door Krishnamurti op de "vernietiging" die samenhangt met het heilige, het immense, inzicht en 'licht' - bijvoorbeeld in zijn reeks dagboekaantekeningen[2]: "alles is en is nooit eerder geweest", "bewegingloosheid die de totaliteit [is] van alle beweging, de essentie van elk handelen, leven zonder schaduw". En: "Het is deze vernietiging die schepping is. Schepping betekent geen vrede. Vrede en conflicten maken deel uit van de wereld van veranderingen en tijd, van de uiterlijke en innerlijke beweging van het bestaan; dit stond buiten tijd of welk ruimtelijk proces dan ook. Het is zuivere en absolute vernietiging en alleen dan kan het 'nieuwe' ontstaan."

In mijn blognotitie 'Drie-eenheid en man-vrouwverhouding' schreef ik:
"Een opmerkelijke visie op de 'triniteit' van toekomstige vader, moeder en kind wordt vertolkt in De compositie van de wereld (1980) van Mulisch:
'De lichamen [...] van de man en de vrouw [...] verenigen zich in de seksuele lust; daarbij gaan man en vrouw kortstondig ten onder, en de identiteit die op het moment van de eenwording in "beiden" wordt herkend, is die van het latere kind [...].' [cursivering door mij; K - een correcte parafrase is, vermoed ik, dat man en vrouw worden 'genietigd' op de toppen van de seksuele extase][3].
Dit kan je lezen als intuïtie van het goddelijke scheppingsmoment waarin Vader, Moeder en Kind één zijn in of als God."
Aanvulling mei 2015: vergelijk ook deze passage uit De Compositie:
"Ieder kunstwerk is een transcendent corpus en als zodanig 'octaaf' met het lichaam [...] dat ontstaat als vrucht van de seksuele eenwording [...]; en het kunstgenot is 'octaaf' met die lust."
Op een of andere manier resoneert dit met de 'godsgeboorte in de zielegrond'[4] bij Eckhart, de godheid die onophoudelijk zijn Zoon baart - en zichzelf zo als Vader openbaart - in de 'regio' van de mensenziel die één is met de godheid. Eckhart spreekt daarover inderdaad soms in termen van een niets[5]. Maar wat Mulisch in bovenstaande passage veronachtzaamt, omdat het er zou wringen, is dat dit Eckhartiaanse niets geen "nietigend" in de zin van een vernietigend Niets is, maar een "zijn boven alle zijnde"; zelfs boven wat in de christelijke leer als God, zijnde Heer en Vader wordt voorgesteld; of nog sterker: boven alle zijn. 'Overvolte' zou je kunnen zeggen. Anderzijds[6]: een van Eckharts meer 'ketterse' uitspraken is, dat als je zondigt terwijl je bent opgegaan in God (of beter: de godheid), die zonde als het ware helemaal in orde is, door God zelf gewild, zij het dat dit eveneens geldt voor de boete die je ervoor moet doen en het lijden dat dit met zich meebrengt. Die kijk zit dicht aan tegen het boeddhistische onderscheid tussen een relatieve werkelijkheid - de 'gewone' waarin kwaad kwaad is en goed goed - en een absolute werkelijkheid, waarin dit onderscheid niet bestaat, omdat daar 'alles één' is (denk ook aan Heraclitus: "Voor de god is alles schoon en goed en rechtvaardig, maar voor de mensen is het ene onrechtvaardig, echter het andere rechtvaardig"). In of 'in het licht van' die 'absolute werkelijkheid', zou je nu kunnen opperen, is een meedogenloze vernietiger als Hitler evenmin 'slecht' als een liefdevol genie als Jezus 'goed' is. Met die zienswijze heb ik echter flinke moeite - en dus met het 'eenheidsdenken' zelf[7].

Om op "baren" terug te komen, met in mijn achterhoofd een oude blog, "Theologische speculaties", met name de eerste noot over de etymologie van "baren" en "openbaren". Nico Tydeman stelt in de onderhavige bundel: "Eckhart lijkt me geobsedeerd door het verschijnsel geboorte, baren, evenals maagdelijkheid, maagd en vrouw zijn. In bijna elke preek en op vele plaatsen in zijn traktaten vindt men een stereotype woordenreeks - hier kort samengevat: 'In deze duisternis wordt de Zoon van de Hemelse Vader geboren die de Zijne is: en ook jij wordt daar geboren als kind van dezelfde hemelse Vader en van niemand anders'."

Eckhart-vertaler C.O. Jellema citeert:
"[...] zolang jouw ziel geestvormig is, bezit zij beelden; zolang zij beelden bezit, heeft zij dingen die bemiddelen; zolang zij zulke bemiddelaars heeft, heeft zij geen eenheid, noch eenparigheid; zolang zij geen eenparigheid bezit, heeft zij God niet op de juiste wijze lief; want ware liefde berust op eenparigheid." [Dit doet wederom sterk denken aan Krishnamurti; K]
En becommentarieert: "In de tekst staat 'einberkeit', wat inderdaad 'eenparigheid' betekent, 'zonder verschil', ook 'eenheid'. Maar Eckhart houdt er soms een eigen etymologie op na, zoals ook latere dichters als Hölderlin en Rilke dat doen. En in de keuze voor het woord 'einberkeit', dat ik voor zover ik me kan herinneren alleen hier ben tegengekomen, laat Eckhart het woord 'ber' doorklinken, dat 'iets wat voortgebracht is en wat als vrucht groeit of bloeit'[8] betekent en samenhangt met 'bern', wat 'voortbrengen' en 'baren' betekent. 'Einberkeit' kan ik beter vertalen met 'eenbarigheid'. Want in de eenheid van het ware, dus van alle voorstellingen gezuiverde onderkennen, [wat] is gelijk aan liefhebben, van God, 'baart' God zich in de ziel in dezelfde beweging waarmee de ziel zich 'terugbaart' in God[9][7]. 'God moet zonder meer mij worden en ik zonder meer God, en wel zo één, dat dit "hij" en dit "ik" één is worden en in die "isheid" eeuwig één werk verrichten'."
In de beweging van baren en terugbaren kan men wellicht het motief van de goddelijke emanatie herkennen, waarover Peter Sloterdijk schrijft in Sferen (1999; Boom 2003, pagina 735):
"Bij de lichtspelen van de pulserende God [i.e. Gods emanatie en reflectie in zichzelf; K] horen dus twee uitbundigheden, twee orgasmen [...]. De reden van dit onmetelijke dubbele verlangen is de symmetrie tussen voortbrengen en kennen, die zich tot elkaar verhouden als uitzending en terugkeer of als ejaculatie en zelfbevestiging van de wellust. Het hoogtepunt van de creatieve extraversie wordt door het hoogtepunt van de kennende inzameling[10] bevestigd en voortgezet, en wel in eindeloze zelfvernieuwing. Deze bewegingen zouden niet ardor, branden en gloedwaas worden genoemd, als ze niet zouden verwijzen naar een belevende vezel waardoor beide hoogtepunten met elkaar verbonden zijn. Dat is ook de strekking van een zelden becommentarieerde passage uit Meister Eckhart: 'God is een overschuimen (effervescentia), dat een hoogtepunt uit een hoogtepunt (apicem ab apice) creëert' - een zin waaraan Hegel eer lijkt te bewijzen, wanneer hij op een prominente plaats[11] met behulp van een dichtercitaat het absolute in zelfreflecties als in kelken laat 'schuimen'."
Met "eeuwig één werk verrichten" doelt Jellema op uitspraken van Eckhart als deze over de ware "armoede van geest" in de preek Beati pauperes spiritu, quoniam ipsorum est regnum caelorum (Mattheus 5:3):
"In zijn werken is het niet Gods bedoeling dat de mens een plaats in zich heeft waarin Hij zou kunnen werken; want armoede van geest betekent dat hij zo leeg is van God en al Zijn werken, dat God, wil Hij in de ziel werken, zelf de plaats is waarin Hij werken wil - en dat doet Hij graag. Want vindt God zo een mens arm, dan werkt God Zijn eigen werk, en die mens ondergaat God in zich, en God is een eigen plaats van Zijn werken doordat Hij in zichzelf werkende is. En hier, in die armoede, verwerft de mens het eeuwige zijn dat hij geweest is[12] en dat hij nu is en dat hij altijd zal blijven zijn." [cursivering door mij; K]
Die laatste, mysterieuze, 'absolute' en eeuwige staat duidt Eckhart nader aan als volgt:
"Daarom bid ik God dat hij me leeg maakt van God, want mijn wezenlijke zijn is boven God, voor zover wij God begrijpen als het begin van de schepselen. Want in hetzelfde zijn van God waarin God boven het zijn en boven elk onderscheid staat, daar was ik zelf, daar wilde ik mezelf en onderkende ik mezelf om mezelf tot deze mens te maken. Daarom ben ik de oorzaak van mezelf wat betreft mijn zijn, dat eeuwig is, en niet wat betreft mijn wording, die in de tijd plaatsvond. En daarom ben ik ongeboren, en overeenkomstig mijn ongeborenheid kan ik nooit sterven. Overeenkomstig mijn ongeborenheid ben ik eeuwig geweest en ben ik nu en zal ik eeuwig leven. Dat wat ik ben als geborene moet sterven en tot niets vergaan, want dat is sterfelijk; daarom moet het met de tijd te gronde gaan. In mijn geboorte werden alle dingen geboren, en ik was oorzaak van mijzelf en van alle dingen; en als ik het gewild had, dan zou ik er niet zijn, noch zouden alle dingen er zijn; en als ik er niet zou zijn, zou ook God er niet zijn. Dat God God is, daarvan ben ik een oorzaak; zou ik er niet zijn, dan was God niet God. Dat te weten is niet noodzakelijk. Een groot leermeester[10] zegt dat Zijn doorbreken edeler is dan Zijn uitstromen, en dat is waar. Toen ik uit God voortvloeide, zeiden alle dingen: God, Hij is; en dat kan mij niet zalig maken, want hier onderken ik mezelf als schepsel. Maar in het doorbreken, waar ik leeg ben van mezelf en van Gods wil en van al Zijn werken en van God zelf, daar ben ik boven alle schepselen en ben noch God noch schepsel, sterker: ik ben wat ik was en wat ik blijven zal nu en altijd."
Gezien een dergelijke briljante, maar - zeg ik met Oegema - schier overmoedige[6] 'uitbarsting van inzicht', lijkt me in elk geval Mulisch' typering "mystieke bezetenheid" niet ver naast de waarheid.

[einde toevoeging december 2013]

Vergelijk deze citaten van Mulisch:
"De gedachte waarvoor de tijd rijp is, leeft ongeweten in allen maar baant zich door de dunste plek, door de gevoeligste plaats haar weg naar buiten."

"Het ziet er dus naar uit dat in een ondeelbaar ogenblik een daad meer inzicht verschaft dan een langdurig denkproces."
En als ik het me goed herinner, hield Mulisch in een interview door Harry de Winter deze ooit door hemzelf gedane uitspraak tegen het licht: 'God voelt zich zoals ik' (te weten: als Mulisch schrijvende).

Oek de Jong meldt op zijn site:
"Met de criticus en hoogleraar literatuurwetenschap Jaap Goedegebuure heb ik het afgelopen jaar gewerkt aan Eckhart nu. Tien visies op Meister Eckhart. Dit jaar is het 750 jaar geleden dat deze intrigerende filosoof en mysticus, een tijdgenoot van Dante, werd geboren. In de Nederlandse literatuur hebben o.a Paul van Ostaijen, Etty Hillesum en Simon Vestdijk (lees zijn roman Het proces van meester Eckhart uit 1969!) zich in Eckharts teksten verdiept. In de jaren ’90 publiceerde C.O. Jellema zijn veelgeprezen vertalingen van Eckharts preken en traktaten. In Eckhart nu hebben we geprobeerd Eckharts mystiek te benaderen vanuit literatuur, filosofie en theologie en een veelzijdige en veelkleurige introductie te maken tot deze meester van het 'niet-wetende weten'.

Essays van: Jaap Goedegebuure, Roel Bentz van den Berg, Jan Oegema, C.O. Jellema, van zen-meester Nico Tydeman, de theologen Frans Maas en Marcel Braekers, de filosoof Gerard Visser én een portret van Eckhart en zijn tijd door Jef Jacobs. Mijn eigen bijdrage: De betoverende zinnen van Meister Eckhart."
Boekbespreking door Liesbeth Eugelink voor Kruispunt Radio op RKK.nl.

Noten (toegevoegd t/m 4 januari 2014)

[1] Inderdaad heeft Heidegger gezegd, in de voordracht Was ist Metaphysik? (1929): "Im Sein des Seienden geschieht das Nichten des Nichts". Hij duidde dat nader aan als volgt (Seminar von Le Thor): "Das Nichts ist nicht bloße Negation des Seienden. Im Gegenteil, das Nichts verweist uns in seinem Nichten an das Seiende in seiner Offenbarkeit. Das Nichten des Nichts 'ist' das Sein." Het laatste is - ook met de enkele aanhalingstekens om 'ist' - zelfs een nog sterkere uitspraak. Zoals bekend was Heidegger in die jaren (tot zijn schande) onder de indruk van Hitler; klaarblijkelijk heeft dit Mulisch' interpretatie sterk gekleurd.


[2] Krishnamurti over Krishnamurti, uitgeverij Synthese, 288 pagina's, 2004; eerder als Aantekeningen verschenen in 1981 bij uitgeverij Ankh-Hermes. De citaten over "vernietiging" komen van pagina 39 en daar in de buurt. Krishnamurti spreekt ook wel van "geest" en "intelligentie"[10], maar dan geest juist niet in de betekenis van onze gedachtewereld, maar - vermoed ik - als de "grote geest" bij Shunryu Suziki. Ook Eckharts sleutelzin "Nim dîn selbes wâr" past wel bij Krishnamurti als Lebemeister die uitlegt waar het spoor naar die "geest" in gelegen is of kan zijn.

[3] Bart de Goeij schrijft in zijn studie over Mulisch, over diens novelle Tussen sterven en begraven (1953) het volgende: "[...] zijn beschrijving van de vrijpartij met Tessa houdt op bij het moment waarop zij samen op de grond gaan liggen en hij 'verzwolgen' wordt, waarna drie puntjes volgen en dan: 'Na een tijd doemt het weer op [...].' Volgens [E.] Kuipers hebben de puntjes en stippellijnen in de novelle de betekenis dat Neeve 'geestesabsent' is. [...]. Neeve beschouwde het zelf achteraf als dat hij volledig geleefd had, 'zo volstrekt met lichaam en ziel betrokken bij een vrouw niet alleen, maar bij de hele wereld.' [...] Ofwel: door die 'betrokkenheid' bij Tessa en de wereld om hen heen, hield hijzelf op te bestaan, hij was geannuleerd. Neeve noemt deze toestand: over zijn grenzen geslagen zijn. Nemen we dit letterlijk, dan vervagen de grenzen tussen het ik en de hem omringende wereld; we mogen dit mystiek noemen."
Boeiend is verder dat De Goeij de wereld van Mulisch in verband brengt met de interpretatie van Kants filosofie door Schopenhauer, die in Kants leer die van de veda's herkende. Denk aan Mulisch' uitspraak: "Het [zijn van het nietbestaan] onthult zich voor de Oepanishads in het lege binnenste van de vrucht, waaruit de Nyagrodhaboom verrijst" (Voer voor psychologen, 1961).


[4] Helaas kan ik niet de vindplaats achterhalen van een opmerking in - meen ik - verband met Eckhart over een Germaans gezegde dat de zee - denk aan de baren... -  het oord zou zijn der ongeborenen en gestorvenen.
Wel zie ik in een oud etymologisch woordenboek bij "ziel": [...] Etym. onbekend: sommige etym. wdb. wijzen op verwantschap met gr. αþóλος (< σαιFóλος) 'beweeglijk' [...], andere op een herkomst uit *saiwalô-, 'de van de zee stammende'; naar de opvatting van de Germanen woonden de zielen van de ongeborenen en van de dooden in de zee (o.a. De Vries en Klein, Comprehensive Etym. Dict.), maar een bevredigende verklaring is nog niet gevonden.
De zee als "zielegrond" - het zou prachtig zijn als het woord "ziel" inderdaad in oeroude tijden is afgeleid van de "zee" en zijn baren. Terzijde: onder meer deze notie probeer ik tot uitdrukking te brengen in het gedicht "Schildering van mijn natuur", met de slotzin "O klankzee van kleuren mijn heerlijke moeder".


[5] Bijvoorbeeld: "Das Versinken in die Gottheit ist im Grund ebenso ein Sturz in den Abgrund des Nichts"; en "Gott ist ein solches, dessen Nichts die ganze Welt erfüllt, sein Etwas aber ist nirgends."
Vergelijk Leonardo da Vinci[^]: "Het niets heeft geen midden en zijn grenzen zijn het niets. [...] Onder de grote dingen, die onder ons te vinden zijn, is het zijn van het niets het grootste" (Dagboeken en aantekeningen). En vergelijk vervolgens twee van de antwoorden op de vraag Quid est Deus in het mysterieuze, onder middeleeuwse theologen hoog aangeslagen geschrift Boek van de vierentwintig filosofen, volgens Peter Sloterdijk zo tegen 1200 vertaald uit het Grieks en Latijn, mogelijk een kopie van een hermetisch Alexandrijns traktaat uit de derde eeuw (Sferen, pagina 727-728): "God is een monade die een monade voortbrengt en haar als een enkele gloedwaas naar zichzelf terugbuigt"; en: "God is een oneindige bol waarvan het centrum overal en de omtrek nergens is." Vooral bij een versie van de laatste omschrijving knopen Eckhart[^^] en Da Vinci misschien aan. Bij het eerstgenoemde antwoord past 'overvolte'; Eckhart: "Wanneer Jezus zich met deze zoetheid en volheid openbaart en zich met de ziel verenigt, dan stroomt de ziel met deze volheid en met deze zoetheid in zichzelf en uit zichzelf en zij stroomt over zichzelf en over alle dingen heen en terug in haar eerste oorsprong, volgens genade met kracht, zonder middel. Dan is de uiterlijke mens tot zijn dood toe gehoorzaam aan zijn innerlijke mens en dan is hij in bestendige vrede, altijd in dienst van God." Leuk aan mijn vondst "overvolte" is dat "volte" gelezen kan worden als "wending"; het komt van voltare ("draaien, springen"), waarop ook "evolutie" en "revolver" teruggaan; bij "wending" past het "in zichzelf terugbuigen" van de goddelijke emanatie.

Oek de Jong verbindt in het bijzonder Eckharts adagium "het ledige gemoed kan alles" met het scheppingsproces: "[die zin] wordt herkend door iedereen die met creatieve processen te maken heeft. De beste ideeën komen immers uit het niets - op het moment dat je met twee handen water tegen je gezicht plenst."
[^] Toegevoegd 4 mei 2014: hierop wijst Martin Heidegger op pagina 39 van Zur Seinsfrage (vierte, durchgesehene Auflage, Vittorio Klostermann, Frankfurt A.M., 1977 [1956], 49 pagina's). De bron die hij opgeeft is Tagebücher und Aufzeichnungen (Nach den italienischen Handschriften übersetzt und herausgegeben von Theodor Lücke, 1940) - hier een editie bij Amazon.de.

[^^] Toegevoegd 29 april 2014: toen ik dit schreef, kende ik van Eckharts preken alleen die afgedrukt in De mystieke giechel. Vanavond bleek me dat op pagina 95 van Over god wil ik zwijgen; preken & traktaten (Historische Uitgeverij, 2e druk 2014) Eckhart in een preek expliciet verwijst naar "vierentwintig filosofen" die antwoordden op de vraag "Wat is God?". Mijn vermoeden was dus juist. Bij de drie godsbeelden die Eckhart in deze preek behandelt zit overigens niet een van de hierboven genoemde; maar ik heb het boek nog lang niet uit.
[6] Denk ook aan wat Simon Vestdijk schrijft tegen het slot van zijn (volgens Maarten 't Hart in veel opzichten qua roman weinig geslaagde) Het proces van Meester Eckhart (1969) over de "ten hemel schreiende zonde" die Eckhart kort voor zijn sterven aan zichzelf bekent:
"Ik was verstrikt in de woorden, daar is alles mee gezegd, de weerlegging, de definities, de rusteloze dialectiek der gedachten, waarmee de in de tijdelijkheid verstrikte mens de eeuwigheid probeert te vangen. De dood, die ik morgen omarmen zal, zal mijn wezen tot God brengen - waarom niet? God is zo duldzaam dat Hij zelfs mij zal aanvaarden, want een meester heeft gezegd: bij God sterft niets, alle dingen worden in Hem levend..."[#]
Het is een prachtige passage, mede omdat valt aan te nemen dat Vestdijk in dit werk ook een soort laat zelfportret heeft geschetst. Oegema echter meent dat Vestdijk hier de plank misslaat, omdat hij Eckhart uit hoofde van de hem ter beschikking staande bronnen wel moest zien als een man die onder druk van de inquisitie tot een min of meer berouwvolle orthodoxe gelovige was geworden - uit later onderzoek zou echter blijken dat Eckhart tot het einde toe in wezen ongebroken is gebleven. Maar ik ben zo vrij dit een te 'historiserende' literaire kritiek te achten. Ik meen in Vestdijks duiding de 'vernietigende' twijfel te beluisteren die menig - misschien elk waarlijk - groot schrijver, zo ook Eckhart als auteur zijnde, zogezegd diep in zijn ziel voelt: of de hoge vlucht van zijn taal ergens geen 'gebakken lucht' is - ijdelheid der ijdelheden -, een vorm van hoogmoedig bevlogen, zelfs bevangen zijn door eigenlijk illusoire betekenissen en evidenties. En hierin ligt een mogelijk raakpunt (maar mijns inziens niet méér dan dat: vanaf dat punt bewogen Eckhart en Hitler zich in tegengestelde richtingen) - conform Mulisch' voornoemde associatie - met de grootheidswaanzin van de 'Führer'.
[#] Bij de slotzin van de passage schiet me het ontroerende slot te binnen van De kellner en de levenden (1949): de doodzieke jongen die 'buiten de tijd' wordt verenigd met zijn dierbare hond.
Het citaat van de 'meester' is overigens van Eckhart zelf.
[7] In mijn blognotitie "Over het masker" ga ik daar indirect op in, aan de hand van Sloterdijks concept "primaire dualis" of "oorspronkelijke completering" (in Sferen, Inleiding, pagina 32) ter kwalificering van de relatie tussen menselijk individu en God. Daaromtrent gaat Sloterdijk overigens diep in op het triniteitsbegrip bij Augustinus en de "Weltinnenraum" bij Rilke (Sferen, Deel I, Hoofdstuk 8: "Mij nader dan ikzelf; propedeuse voor een theorie van het gemeenschappelijke binnen", pagina 341 en verder). Sloterdijk spreekt ook van "correlatieve dualiteit en (pagina 354) van "co-subjectiviteit", "bi-subjectiviteit", "microsferische dualiteit" en "elliptische bel" (denk bij het laatste aan "schuim"[11], zoals dat van de zee[3] en de titel van Sferen III). Op pagina 347 gaat hij in op Spiegel van de eenvoudige zielen (Le miroir des simples âmes, circa 1284) van de als ketter levend verbrande Marguerite Porete. Zij beschrijft, aldus Sloterdijk, "de zoektocht naar een onmiddellijke voltrekking van de twee-enige samensmelting tussen de ziel en God". Ze schrijf: "Deze ziel, zo spreekt de liefde, heeft zes vleugels, net als de serafijnen[##]. Ze wil niets meer wat haar door bemiddeling ten deel valt. De zijnswijze van de serafijnen onderscheidt zich hierdoor: tussen hun liefde en Gods liefde is er geen middenterm. Ze ontvangen steeds boodschappen zonder boodschapper." In Eckhart nu wordt herhaaldelijk gewezen op de mogelijke invloed van haar denken op dat van Eckhart; zie in het bijzonder het citaat over het vrij zijn van "bemiddelaars" hierboven. Wat betreft het "niets" vinden we bij Porete: "En daarom maakt de ziel zich van dit willen los, en het willen maakt zich los van een zodanige ziel. [...] Zonder deze teruggave kan Hij niet in de ziel worden opgenomen [...] Ze [i.e. de ziel; K] is nu alles en ze is ook niets, want haar Vriend heeft haar tot een geheel gemaakt." Zelfs het "zonder waarom" lijkt Eckhart von Hochheim rechtstreeks te ontlenen aan Marguerite Porete (soms geschreven als Margareta Porete of Margaret Porette), die stelde: "Alles is haar om het even, zonder een waarom, zij is echter niets in die gelijkheid. Daarom hoeft ze zich niet meer om God te bekommeren, zoals God ook niet om haar." Het schijnt geen vaststaand feit te zijn dat Porete en Eckhart elkaars werk hebben gelezen, al neemt onderzoekster Maria Lichtmann dat wel aan, evenals de Duitse Eckhart-kenners Josef Koch en Herbert Grundmann.
De vraag dringt zich op, of de enorme verering die Eckhart ten deel valt, waarbij Porete slechts als eventuele "invloed" bleek afsteekt, niet een blijk is van onze hardnekkige patriarchale cultuur. Lof voor Sloterdijk dat hij haar ruimschoots citeert, maar ook bij hem klinken misogyne trekjes door in adjectieven als "praatlustig", "diva" en "kermisklant"; meer kritiek op Sloterdijks patriarchale paradigma in de noten bij mijn blog "Theologische speculaties".

[##] In mijn blognotitie "In den beginne bij Anselm Kiefer" schrijf ik: "De ladder - wellicht onder meer verwijzend naar de Jacobsladder - als verbinding van het aardse (materie) en het hemelse (geest) is een terugkerend motief [bij Kiefer]. Zie bijvoorbeeld Seraphim (1984), met aan de voet van de ladder een opgerolde slang; en dit ongetitelde werk. Seraphim is het meervoud van Seraph: 'Literally "burning ones"[*], the word seraph is normally a synonym for serpents [sic] when used in the Hebrew Bible. A seminal passage in the Book of Isaiah (6.1-8) used the term to describe fiery six-winged beings that fly around God's throne singing[**] "holy, holy, holy".' Associatie: de vrouwelijke demon Lilith, in de kabbala gelijk gesteld aan de eerste vrouw van Adam."
[*] Vergelijk "ardor" en "gloedwaas" in het citaat van Sloterdijk hierboven over de goddelijke emanatie. Mogelijk is het ook geen toeval dat Hegel, aangaande de voor de kennende geest geheel transparant geworden geschiedenis, spreekt[11] van Gods "troon".

[**] Vergelijk Sloterdijk over de 'primaire dualis' (Sferen, Inleiding, pagina 39: "Men zit er wellicht niet zo ver naast als men zich de muziek van de engelen en sirenen voorstelt als het klankwonder van zo'n onverstoorde dubbele eenstemmigheid."
En: "Wat we in de taal van onheuglijke tradities 'ziel' noemen, is in zijn gevoeligste centrum een resonantiesysteem dat in de audiovocale gemeenschap van de prenatale moeder-kindsfeer tot ontwikkeling komt" (Sferen, Deel I, hoofdstuk 7).
[8] Vergelijk wellicht het Oud-Griekse filosofische begrip φύσις. Uit een essay over Heidegger en aletheia: "In Plato metaphysics in the traditional sense takes its rise, for it is he who first conceives of thinking Being as a going "beyond" the beings of experience to their being-ness, which he conceives as their what-ness, their see-ableness, their Idea. Such a conception is possible only because a consequence of φύσις (process of shining-forth[###]) is taken to be the essence of it. Hence φύσις itself becomes for him that-which-is-to-be-seen, a being (είδος). Being thus becomes conceived as a being. Likewise truth, no longer non-concealment, becomes correctness of view, conformity with the Ideas."
[###] C.O. Jellema vermeldt Eckharts prachtige, poëtische vondst "Ougeholz" (ooghout): "Wanneer de mens helemaal onderaan staat - dat wil bij Eckhart zeggen: elk eigenbelang, elke ik-gerichtheid heeft opgegeven - dan moet God zich helemaal en zonder voorbehoud in die mens uitgieten, 'oder er enist niht got', of hij zou God niet zijn." Eckhart illustreert wat hij wil overbrengen met een vergelijking, over "mijn oog en een stuk hout. Sla ik mijn oog op, dan is het een oog; sluit ik het, dan is het hetzelfde oog. Het kijken voegt aan het stuk hout niets toe en haalt er niets af. Nu moeten jullie heel goed opletten! Gebeurt het echter dat mijn oog één en enkelvoudig is in zichzelf en wordt geopend en met een blik gericht op een stuk hout, dan blijven ze ieder voor zich wat ze zijn, en toch worden ze in de werkzaamheid van het kijken zo één, dat je naar waarheid zou kunnen zeggen: ooghout, en het stuk hout is mijn oog."
Vergelijk wellicht Sloterdijks begrip "primaire dualis" of "oorspronkelijke completering"[7]. En de inquisitie zal wellicht hebben gedacht dat "ooghout" een onschuldige aanduiding was van waar het de ketter Eckhart in hun ogen werkelijk om ging: "godmens!"...

Denk bij φύσις als shining forth, 'tevoor-schijnen' natuurlijk weer aan emanatie. Waarschijnlijk komt het van φύω - van Proto-Indo-Europees *bʰuH- ("verschijnen, worden, oprijzen" [bijvoorbeeld van de zon?; K]). Verwant met Oud-Armeens բոյս ("plant"), Latijns fui, Oud-Engels beon en Engels be.
[9] Jellema schrijft over de uitleg van de Drie-eenheid door Eckhart: "Die drie hoogste krachten in de ziel corresponderen met de drie Personen in de Triniteit. Memoria met de Vader, die het zijn is en het denkt en die, zich Zijn zijn in herinnering brengend, daarin, als in zijn uitgesproken gedachte, Zijn Zoon als Zijn Woord, baart; in dat Zoonwoord kent de Vader zichzelf, zoals anderzijds de Zoon, als Woord van de Vader, zich in de Vader kent, zich in dat kennen terugbaart in de Vader. Met die trinitarische wijze van kennen, waarin de kennende één is met het gekende[8], correspondeert intellectus. Met de band van eenheid die dat wederzijds kennen vormt, dat kennen in 'einberkeit', en dat is de heilige Geest, correspondeert voluntas, het wilsverlangen."
Dit lijkt een tamelijk getrouwe parafrase van uitspraken van Eckhart, al sluit ik niet uit dat de homoseksuele dichter Jellema ietwat te 'homocentrische' of masculiene accenten legt.


[10] Bij "inzameling" is de associatie met "lezen" en "intellect" - gevormd uit inter "tussen" en legere "uitkiezen, verzamelen, lezen" - gepast. De term "intellect" gebruikt Eckhart veelvuldig, het begrip neemt in zijn denken een prominente plaats in. Gerard Visser schrijft in zijn essay: "Eckhart moet God een niets noemen in het licht van onze gangbare[8] vereenzelviging van alle werkelijkheid met het zijnde. Tegelijkertijd echter is dit niets geen absoluut niets. Gods niets is wel degelijk iets. Als hij dat echter wil aangeven, is hij gedwongen van een volkomen zijn of van een zijn boven alle zijnde te spreken. Wat hij daaronder verstaat heeft hij duidelijk uitgesproken. Eerder dan esse is God intellectus, een in zichzelf rustend intellect. Hij ziet dit wijsgerige standpunt bevestigd in het primaat dat zowel het scheppingsverhaal in Genesis als de openingswoorden van het evangelie van Johannes toekennen aan het Woord: 'In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God'." Ook het vervolg van Vissers beschouwing over God als intellect is zeer lezenswaard (pagina 202).  
Misschien vertoont de 'codex' in De compositie van de Wereld trekken van God als louter intellect 'boven' het zijn.
Maar bedenk dat Eckhart ook schreef: "God is noch zijn, noch intellect, noch onderkent Hij dit of dat. Daarom is God leeg van alle dingen, en daarom is Hij alle dingen" en: "Over God wil ik zwijgen"; en gerekend wordt tot de bedrijvers van "negatieve theologie". Als Visser goed ziet dat Eckhart heeft gezegd dat "eerder dan zijn" God intellect is, dan moet een zware klemtoon op éérder worden gezet of is dit een van de door Oegema aangestipte voorbeelden van het zichzelf tegenspreken van Eckhart of tenminste van zijn spreken in paradoxen. Ook Oegema stelt overigens vast dat "intellect" bij Eckart een sleutelbegrip is. Tot slot van zijn essay verbindt hij dit begrip met Eckharts: "iets in de ziel van waaruit kennis en liefde voortvloeien" [cursivering door mij; K]. "Voortvloeien" lijkt echter meer eigen aan de "scheppende" dan aan de "inzamelende" fase van "emanatie" (van "ex" en "manare", vloeien of stromen). Dus hetzij Oegema stelt te scherp dat voor Eckhart juist daar het intellect werkzaam is of de bron van is, hetzij Eckharts kijk op de neoplatoonse emanatie is erg complex, hetzij Sloterdijk legt "emanatie" te schematisch uit. De tweede mogelijkheid, naast de derde, is wellicht het waarschijnlijkst, gezien het verschil dat Eckhart - zich trouwens wel beroepend op een andere auteur - maakt tussen Gods "doorbreken" en Zijn "voortvloeien" in het citaat in de hoofdtekst hierboven. Mogelijk à la Plotinus' drie hypostasen van de emanatie: het Ene, Intellect en de Ziel (en het zijn, de zielen en de zijnden?); het intellect stromend uit het Ene dat er dus aan 'vooraf' gaat en welks "ex" ofwel "doorbreken" (bij Eckhart) dan het 'begin' van de emanatie zou behelzen Misschien is "voortvloeien" bij Eckhart zo te verstaan als "kennende inzameling" in Sloterdijks termen. Hier meer zicht op krijgen zou diepgaande studie vergen. Waarbij je moet blijven beseffen dat "emanatie" (en Sloterdijks omschrijving ervan) natuurlijk 'maar een metafoor' is die men dus niet letterlijk dient te nemen. En de twijfel moet toeslaan[6]: kan het 'onzegbare' überhaupt worden uitgedrukt in taal, al is die figuurlijk van aard, zoals in beeldspraak? In onze context is het wel leuk dat "metafoor" via "ferre" en "phérein" (φέρειν) op dezelfde oerwortel (*bur-) teruggaat als "baren" via "beran" (zie "bern" bij Jellema).


[11] Sloterdijk geeft de bron: "[...] uit de kelk van dit rijk der geesten schuimt hem de oneindigheid tegemoet [...]", Phänomenologie des Geistes (1807), slotregel.[####]
In de verkorte, Nederlandstalige editie van Sferen I en II is dit de enige keer dat Sloterdijk Eckhart noemt.

[####] Ik  heb het nagezocht: "aus dem Kelche dieses Geisterreiches / schäumt ihm seine Unendlichkeit"; hier een toelichting: Hegel veranderde lichtjes de slotregels van Schillers gedicht Die Freundschaft; hij zou ermee hebben willen zeggen: de "begrepen geschiedenis", namelijk "de wetenschap van het verschijnende weten" als begrepen organisatie van de geschiedenis, vormt "de herinnering en de schedelplaats [verwijzing naar Golgotha; K] van de absolute geest, de werkelijkheid, waarheid en zekerheid van zijn troon, zonder welke hij het levenloos eenzame zou zijn".
Hier blijkt dat hij in verband ermee, verwijzend naar het evangelie, stelt: "Gott ist nicht ein Gott der Toten, sondern der Lebendigen" - vergelijk Mattheus 22:32 en het door Vestdijk gebruikte[6] citaat van Eckhart.
[12] Hierbij komt mij, naast 'ruimtetijd' volgens Albert Einstein als vierdimensionaal geheel, Mulisch' De compositie van de wereld voor de geest, waarin hij aan het slot schrijft:
"Dit is alleen op het eerste gezicht toch weer de cyclische, eeuwige wederkeer. [...] Ik zeg [...] dat alles niet vaker dan één keer gebeurt, maar die ene keer tegelijk een oneindig aantal keren. Al toont het zich pas in het moment van de dood - elk moment is eeuwig."
Zie ook m'n blognotities:
Overéénkomst
Theologische speculaties
Leegte, 'er zijn', speelruimte en (on)vergankelijkheid
Het zijn en het niets, vorm en leegte
Vormt biologie de sleutel tot begrip van het heelal?
Fernando Pessoa à la Boeddha
De mens als magische eenheid van nabootsing en autonomie

Illustratie bovenaan: artist impression van de meester - over het uiterlijk van Eckhart schijnt volstrekt geen betrouwbare informatie bewaard te zijn gebleven.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen