blogspot visitor

25 april 2014

Gerard Reve als mysticus in het slot van De Avonden

Gister vertelde mijn oudste vriend dat hij onlangs de laatste vijf bladzijden van De Avonden van Gerard Reve had voorgelezen aan zijn vriendin en dat hij gaandeweg zijn tranen nauwelijks kon bedwingen (wat hij tevoren niet had zien aankomen). Gelukkig nam zij hem in haar armen.

Dit bracht mij tot herlezing van het slot van het boek, dat ik niet meer in mijn hoofd had. Ook mij ontroerde het zeer. Bij de eerste lezing, lang geleden, viel mij voor zover ik het me herinner niet op dat Reve zich hier onmiskenbaar een mysticus betoont[1]. De bezwerende zin: "Ik adem, ik beweeg, dus ik leef", gevolgd door: "Wat kan er nog gebeuren? Er kunnen rampen komen, pijnen, verschrikkingen. Maar ik leef", doet me denken aan wat Iris Murdoch schrijft[2] geïnspireerd door Simone Weil:
"Omdat de nederige mens zichzelf als niets beschouwt, kan hij andere dingen zien zoals ze zijn. Hij ziet de doelloosheid van de deugd en de unieke waarde ervan en hij ziet hoe eindeloos ver haar eisen strekken. Simone Weil vertelt ons dat als de ziel voor God staat, het zelfzuchtige deel ervan niet tot lijden, maar tot de dood wordt veroordeeld. De nederige mens ziet de afstand tussen lijden en dood. En al is deze mens niet per definitie de goede mens, het is het meest waarschijnlijk dat juist zo iemand goed kan worden."
Ik weet niet zeker of ik dit helemaal begrijp, maar het vertolkt in elk geval een zeldzaam diepe levensaanvaarding (bij gebrek aan een betere term) ondanks alles. Dat Frits van Egters veel eigenschappen heeft die hem verre van een heilige maken, sluit in mijn ogen beslist niet uit dat zijn voornoemde woorden opwellen uit een nederigheid in beginsel.

Ditzelfde thema speelt wellicht in De kellner en de levenden van Simon Vestdijk, die in het verhaal de kwestie aan de orde stelt van het 'niet vervloeken van de Schepper' - nauwkeuriger: van het bestaan dat hij in gang heeft gezet - wegens het lijden dat het leven met zich meebrengt. Een groepje mensen wordt in een surreëel hels oord op een angstaanjagende manier op de proef gesteld[3]. De duivel doet tenslotte het voorstel hen definitief uit hun lijden te verlossen door ze volledig te vernietigen; de voorwaarde die hij eenieder van hen stelt is 'slechts' dat zij of hij het bestaan vervloekt (en dus indirect God, maar dat laatste eist hij opzettelijk niet expliciet). Het alternatief is: eindeloos onderworpen worden aan de meest afgrijselijke infernale kwellingen. De grootsheid van de 'gewone mensen' in zijn klauwen krijgt gestalte, doordat ze dit aanbod afwijzen: het bestaan omarmen zelfs nu ze in de ergste angst, pijn en nood verkeren. Precies dit breekt de ban van satan.

Aan hetzelfde punt - maar dan zonder God - raakt misschien het bewust niet kiezen voor zelfmoord na die optie in alle ernst te hebben overwogen als mogelijk het eerste probleem van de beschouwelijke mens (Camus, De mythe van Sisysphus), bij wijze van het op je nemen van het leven ondanks het aanvankelijk 'in de wereld zijn geworpen' en de schijnbare absurditeit van met name het lijden in die wereld. Daarbij Sisyphus transformerend van gemarteld slachtoffer in een schaduwrijk tot waardige mens die het loodzware bestaan zo goed en zo kwaad als het gaat op de schouders neemt (en er als hij geluk heeft dusdoende de schoonheid of zelfs het liefdevolle van ervaart).

Ook doet de apotheose[4] van De Avonden me denken aan kwatrijnen van de schrijver en dichter Jacob Israël de Haan:

EENHEID GODS.

De Dag en Nacht zijn niet gescheiden.
Wat is vaster dan zij verbonden?
Zoo zeg niet: ‘God en Satan beide’.
God draagt alles, ook zeerste zonden.

STRIJD.

Ik dacht te strijden tegen God.
Maar God strijdt met zichzelf in mij.
Geen vroom en geen zondigend lot
Is van God vrij.

Zonder dat ik mijn persoontje wijzer wil doen voorkomen dan het is, de prachtige en beroemde slotzin[5] van De Avonden: "Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven", drukt mogelijk in één keer raak uit wat ik gisteravond onbeholpen probeerde onder woorden te brengen in gesprek met mijn vriend, toen ik het had over de 'troost' of  'zin' die het hachelijke streven naar waarheid met zich mee kan brengen; en dat dit wellicht een religieuze dimensie heeft - in de zin dat het zich tonen van waarheid, waarbij jij als mens ten nauwste actief bent betrokken, tegelijkertijd een verschijnen annex 'aanroepen' van God als getuige is. Of zoals De Haan evoceert, meer dan dat: het verkrijgen van het besef dat God het lijden, in het bijzonder jouw lijden, Zelf meedraagt. (Bij dit alles ben ik onzeker van het bestaan van God.)

In met name het judaïsme en minder prominent in het christendom[6] is, het "Boek des levens" van wezenlijke betekenis. Het is niet ondenkbaar[7] dat Reve, die heel goed thuis was in religieuze geschriften, daar bewust naar verwijst aan het einde van De Avonden.
Wikipedia: In the Old Testament, the Book of Life is the book or muster-roll of God, in which all the people who are considered righteous before God are recorded forever. God has such a book, and to be blotted out of it, signifies death. It is with reference to the Book of Life that the holy remnant is spoken of as being written unto life [...] Even the tears of men are recorded in this Book of God. "Every one that shall be found written in the book...shall awake to everlasting life". This book is probably identical with the "Book of Remembrance" in which are recorded the deeds of those that fear the Lord.
Merk op hoe Frits aan het slot van de geschiedenis zijn vader en moeder zowel volkomen oprecht en helder waarneemt in al hun bijna onverdraaglijk afstotelijke tekortkomingen (die tegelijk ergens op de lachspieren werken), als dat hij hen aanbeveelt in Gods genade, al staat het er niet letterlijk zo. "Eeuwige, enige, almachtige, onze God," zei hij zacht, "vestig uw blik op mijn ouders. Zie hen in hun nood. Wend uw blik niet af. [...] [Mijn vader] schept suiker met de dessertlepel. Hij neemt het vlees in zijn vingers. Hij laat winden, zonder dat iemand er een nodig heeft. Hij heeft spijsresten achter zijn gebit. Hij weet niet waar de gulden in moet. [...] Hij mengt het eten op zijn bord door elkaar. [...] Zie mijn moeder, [...] ze dacht dat ze wijn kocht, maar het was vruchtensap, [...] Bessen-appel. Ze gaat bij het lezen met haar kop heen en weer, [...] zie haar onmetelijke goedheid." Die onverschrokken, van elk (zelf)bedrog vrije, werkelijkheidsgetrouwe waarneming brengt de "heiligheid" van "aandacht"[8] in de visie van Krishnamurti voor de geest.

Mijn ondergrondse vertwijfeling, verdriet en woede hangen, vermoed ik (en afgezien van psychologische verklaringen), er sterk mee samen dat ik - nog? - niet de aanvaardende 'daad' lijk te kunnen stellen, of het tot verzoening met het leven leidende 'godsvertrouwen' voel (of kan opbrengen: misschien gaat het om een liefde die je, paradoxaal genoeg, ontvangt door haar te schenken), waaromtrent ik hierboven diverse passages bij elkaar heb gezet. Er schuilt een bitter verzet in me tegen het leven, c.q. de mensheid zoals zij is.

Noten

[1] Dat het werk van Reve de trekken van dat van een mysticus heeft, is op zichzelf natuurlijk al door velen opgemerkt; zie bijvoorbeeld "Reve richtte zich rechtstreeks tot onze ziel" (Erwin Mortier, de Volkskrant, 10 april 2006) en "De mystiek van Gerard Reve" (Huub Mous, 4 juli 2012). Mous haalt de nare pedofilie-apologeet Gert Hekma aan; diens bewondering voor Reve - al is het ten gunste van Reve belangrijk te onderkennen dat Hekma Reve verwijt dat hij de seksuele wreedheid sublimeert - betreft een aspect van Reve's kijk op mens en God dat mij altijd in zijn werk heeft tegengestaan, [later toegevoegd:] net als zijn racistische, niet als 'ironie' te vergoelijken uithalen en zogenaamde grappen) en niet te vergeten de regelrecht weerzinwekkend-sadistische verkrachtingsscene met een jong meisje in een vrachtwagen in De circusjongen; het heeft volstrekt geen pas Reve te idealiseren.


En denk speciaal aan Reve's gedichten zoals:


BEKENTENIS


Voordat ik in de Nacht ga die voor eeuwig lichtloos gloeit,
wil ik nog eenmaal spreken, en dit zeggen:
Dat ik nooit anders heb gezocht
dan U, dan U, dan U alleen.


[2] Iris Murdoch, Over God en het goede, 1969, uitgeverij Boom 2003, pagina 163.

[3] Natuurlijk zal Vestdijk het verhaal van Job in gedachten hebben gehad. Job, in ellende en pijn gestort (door God in een weddenschap met de duivel), vervloekte niet God, noch hét bestaan, maar wel de dag dat hijzelf geboren was.


[4] Van Dale over "apotheose":
Het woord komt van het Oud-Griekse apotheosis: "verheffing tot God".
1. Verheffing van een sterveling tot de rang van een god, opneming onder de goden;
2. buitengewone lof aan iets of iemand toegezwaaid, verheerlijking;
3. schitterend slottoneel van een voorstelling of uitvoering;
4. indrukwekkend hoogtepunt als slot.


[5] Eigenlijk is het de voorlaatste zin: de laatste gedachte van Frits voor hij in slaap valt. De slotzinnen van De Avonden luiden: "'Het is gezien,' mompelde hij, 'het is niet onopgemerkt gebleven.' Hij strekte zich uit en viel in een diepe slaap." De slaap is wellicht een verwijzing naar de dood - zie noot[1] hierboven: "Voordat ik in de nacht ga..." - die het contrast vormt met het "zien" bij leven.

[6] Uit een christelijke tekst over de doop:
Pastor: Hoe wilt u dat uw kind zal worden genoemd
in de gemeenschap van Jezus?
Ouders: We noemen onze dochter
Pastor: Deze naam staat voorgoed geschreven in het
boek des levens, in de palm van Gods hand.
In dit document is ook een deel opgenomen van Reve's pleidooi in het proces voor het Amsterdamse Gerechtshof op 17 oktober 1967, bekend[#] als het "Ezelsproces":
"Wanneer ik er nu van uitga, dat het de vervulling van ’s mensen bestemming is, God lief te hebben, dan rest mij
nog slechts de vraag, welke soort van liefde jegens God ik mij dan als ideaal zou moeten stellen. Het antwoord moet luiden: de meest onbaatzuchtige en meest onvoorwaardelijke liefde.
Is dat de liefde van kinderen jegens hun vader? Die liefde is verre van belangeloos: zij is gemengd met vrees voor straf en voor verlies van geborgenheid.
Is het dan de liefde tussen liefdespartners? Zeker kan zulk een liefde momenten van werkelijke belangeloosheid bevatten, maar zij is toch ook gemengd met elementen van voorwaardelijkheid, zoals vergroting van het zelfgevoel, veroveringszucht en driftbevrediging.
Is het dan de liefde tussen broers, zusters, vrienden? Ook die liefde blijft ten dele gericht op eigen behoud en eigen belang.
Welke liefde blijft dan over? Het is de liefde die ouders koesteren jegens hun kind. Deze liefde vraagt, indien zij echt is, niets en geeft alles.
Aldus moeten wij God liefhebben als ons Kind."
Helaas wordt door sommige christenen aan dit mooie symbool een uiterst grimmige en vreeswekkende interpretatie gegeven, in dier voege, dat wie niet in het Boek de Levens staat, wordt veroordeeld tot eeuwige pijnen in de hel. Zie bijvoorbeeld Bijbelonline.nl: "[...] ook andere Schriftgedeelten laten zien dat er sprake is van eeuwigdurende pijniging. Het was nota bene de Heere Jezus Zelf, Die zei: 'Dan zal Hij zeggen ook tot hen, die ter linkerhand zijn; Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is' (Matth. 25 : 41). Het is het gedeelte over het Laatste Oordeel, waar geschreven staat: 'En de duivel die hen verleidde, werd geworpen in de poel van vuur en sulfer, alwaar het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid' (Openb. 20 : 10). Openb. 20 : 15 laat vervolgens zien dat een ieder die niet in het boek des levens staat, hetzelfde lot toekomt: 'En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in de poel des vuurs'. In het graf is geen pijniging, in het graf is er geen bewustzijn. In de hel blijkbaar wel. Men ontkent de hel, maar maakt daarmee eigenlijk Jezus Christus en Gods Woord tot een leugenaar!".
[#] Zie over het Ezelsproces bijvoorbeeld "De God van Gerard Reve" door Henk van den Bosch, juli 2001.
[7] Misschien kan Reve's aanvankelijk slechts als een leidmotief gebruikte, maar later toch daadwerkelijk gepubliceerde Het Boek Van Violet En Dood, waarin hij (voornamelijk) liefdevol herinneringen aan overleden of uit zijn leven verdwenen jongens en mannen boekstaaft (zeg maar gerust: opdat zij gezien en niet onopgemerkt zullen zijn tot in de literaire eeuwigheid), worden geduid als een soort contrapunt?

[8] Toegevoegd 30 april 2014: ik trok zonet in een opwelling Nader tot U uit de kast en sloeg het op een willekeurige plaats open, waarna ik naar het begin ging van de betreffende brief, "Greonterp, 14 oktober 1964". In de tweede alinea staat: "Ik zou wel willen, dat deze brief vol zachtheid en tederheid kon zijn, met somtijds huiveringen van stilte en Aandacht, en geheel zonder gramschap jegens enig schepsel [...]." [hoofdletter van Reve; K]. Frappant.
In de eerste alinea: "Ik moet denken aan allen die ik gekend heb, en die nu dood zijn"[7].
(Terzijde: het treft me meer dan vroeger dat Jeroen Brouwers zich wel erg veel van Reve's stijl heeft eigengemaakt.)


Zie ook m'n blognotities:
Gerard Reve en Maria als "Smekende Almacht"
Alleen wanneer je bent als niets, is genade mogelijk? Iris Murdoch en Jiddu Krishnamurti

Later toegevoegd:

Onverbloemd racisme in nooit eerder uitgezonden opnamen met Gerard Reve
Tzum, 13 mei 2014

Reve: "[...] met alle deernis waarmee ik het leven en het leed van de zwarte en de gekleurde rijksgenoot bekijk, heb ik gewoon het blanke superioriteitsgevoel jegens de zwarte wat ik met miljoenen Nederlanders deel."

Reve-tapes onthuld: Boudewijn Büch verzon het niet
Door Nouschka van der Meijden, Het Parool, 23 november 2016

Gerard Reve was net zo racistisch en fascistisch als Boudewijn Büch hem deed overkomen in een interview in Het Parool in 1983. Dat blijkt uit de Reve-tapes die woensdag voor het eerst voor publiek werden afgespeeld.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten